| de opmerkingen waren niet van de lucht maar over de stank die niet te harden was zo’n lucht die jarenlang in je neusgaten boze tongen beweren dat politieagenten in vroeger dagen haalde een kapitein dus.. |
|
| de opmerkingen waren niet van de lucht maar over de stank die niet te harden was zo’n lucht die jarenlang in je neusgaten boze tongen beweren dat politieagenten in vroeger dagen haalde een kapitein dus.. |
|
laat zijn tranen over Poolse akkers lopen
bijtende kou kan hij verdragen
maar nooit, slijt het snijden
van stilte
in voetstappen die vertragen
weer ziet hij de barakken
waar zijn ziel werd vermoord
en waardigheid verkracht
hij brengt zijn hand naar de borst
zijn stem stokt, ze stalen mijn naam
ik werd nummer B 0698
© Hanny
Le Canard
Een oud pakhuis in de Spuistraat:
daar hing de kunst zich te vervelen.
Lang geleden. Lang geleden.
Ik heb er eens geslapen
in een blote ruimte achterin,
terwijl Constant z’n doeken
tegen oorlog toonde.
Op m’n spiraal wat kranten als matras:
de winter tochtte op m’n heupen,
ik sliep onder m’n dichtjas
(ik bedacht warmte van woorden).
In een witte zaal vlak naast me
lag een gesneuvelde
geschilderd door Constant,
zwart van dood, rood van bloed.
Er was veel lijden.
Lang geleden. Lang geleden.
De dode was van verf.
En ik van kou.
Karel N.L. Grazell
Amsterdams stadsdichter uit Zuid
.
ik denk dat ik
ook het doosje maar weggooi
waarin je gezeten hebt
tuurlijk, je was een cadeautje
alleen was de verpakking mooier
dan de inhoud
gek werd ik van je braillevingers
die alles verdraaiden
de enige die je zag was jijzelf
en ik zag niets als ik over je schouder keek
in de spiegel
ik was je rijk nu ben je kwijt
.