In de Nederlandse poëzie is er al vrij vroeg het rijmloze gedicht gekomen. Bellamy bijvoorbeeld was daarmee bezig, in Zeeland en Utrecht.
Het metrum was al eeuwen een beetje vergeten (deze laatste twee woorden zijn geen jambe, maar konden in vooral een sonnet toch als jambe geteld worden). Soms waren er ook enkele woorden niet metrisch, maar alleen ritmisch. PC Hooft: Lustighjes. Lustighjes gaet ‘t watertje daer ‘t tegen het walletje slaet. (taal die kabbelt).
Herman Gorter rammelde soms al met z’n rijmen en metrum. Het vrije vers (dat niet helemaal hetzelfde schijnt te zijn als het vers libre, maar hoe, dat weet ik niet, in de ars-en poetica die ik heb, staat dat niet). Bij Marsman bijvoorbeeld was het vrije echter in principe alleen wat de lengte van regels betrof, het rijmde over het algemeen nog en het metrumdrumde eveneens.- hoewel het soms in z’n verhaal van de man van wien ik dit verhaal vertel (Tempel en kruis) proza begon te lijken.
Na de oorlog, om het nu over, mezelf even te hebben, leerde ik veel van de monologen van Shakespeare. Ik vond na een aantal andere pogingen dat een gedicht geen schrijftaal, maar spreektaal moest zijn (ik had het ook over het ritme van de spreektaal – en later, als copywriter, kon ik zelfs daarbij wel praattaal gaan schrijven) – dat leestekens, hoofdletters, metrum, eindrijm uit den boze moesten zijn en dat ook de lengte van regels vrij moest zijn. Ik heb niks tegen sonnetten (hoewel, die Tachtigers): het sonnet van Ronsard: Ceuillez dès aujourd’hui les roses de la vie, van Revius: ’t En syn de Joden niet, van Breeroo: Vroeg in den ochtend, van Nijhoff: Olijf-ovaal met van de olijf ook mee de. Nijhoff schreef overigens ook met het Zuid-Europese (?) klinkerrijm: Awater (wel eens gerealiseerd dat de naam waterwater betekent?): gaat, stand, avegaar, stalling, zoiets.
Eind ’50 schreef Ad den Besten me dat hij veronderstelde dat de modernen geen sonnet meer zouden kunnen schrijven. Ik deed er toen eentje – het staat in m’n Verzamelde Jaren (één regel bewust te lang, ik moest eruit springen): een sonnet van één zin.
En toen kwam Hans Lodeizen. Hij schreef, vond ik, in een Franse sfeer, technisch gesproken: ook Eluard? Hij rijmde over het elgemeen niet, z’n metrum was niet altijd aan het exerceren: O mijn vriend – deze wereld is niet de echte. En hij deed vaak iets met z’n afbrekingen: het swingde als je het las.
Als het voorgelezen wordt, zal die swing wel grotendeels verdwenen zijn. Het is een zeg maar typografisch verschijnsel.
Dat swingen hebben niet zoveel mensen begrepen of opgemerkt. Maar ze zagen een vrije regelval aan de rechterkant (dat communiceert volgens typograaf Gill ook het beste). Zo schrijf je dus poëzie. Nou ja, ieder heeft er recht op z’n eigen inhoud aan het begrip, poëzie te geven.
In ‘84 zei Simon Vinkenoog: ik moet snel een bundel uitgeven, Karel, anders krijg ik geen subsidie. Wil jij ‘m selecteren en redigeren? Doe maar gewoon wat je er zelf van vindt.
Ik kreeg een grote stapel.
Simon schreef vaak rücksichtslos, vond ik: alles was goed om te zeggen wat hij te zeggen had. Eh, te schrijven had of te declameren had.
Ik zag een groot verschil opduiken tussen geschreven poëzie en performance.
Bij geschreven is de logica primair. Je kunt zelfs de logica laten aanvullen door publiek. Een song als Suzanne van dhr. L. Cohen doet dat heel sterk. Daarbij is trouwens ook dat het om een song gaat, een bindend element.
Performance werk van Simon (en dat was bijna alles van die stapel) had als binding vooral de persoonlijke aanwezigheid van Simon, z’n manier van voorlezen, z’n persoonlijkheid. Als je dat op papier ging drukken, waren die bindende factoren er niet meer en zag je de grote gaten. Tenminste, ik zag ze. Ik schrapte dus, veranderde een woord, enfin, redigeerde streng.
En nee, Simon accepteerde het niet. Ik denk dat hij het niet begreep: ik heb het hem ook niet verteld. Soms is het beter dat vriendschap geen eigen mening hoort.
Maar in ieder geval: veel werk op internet is kennelijk door mensen geschreven, die een beetje kunnen praten, maar niet schrijven.
Er is nog een ander probleem. Als je je regels vrij willekeurig afbreekt, en je gebruikt geen jargon, hoe maak je dan er poëzie van?
Poëzie bestaat uit minimaal twee gedeelten. Wat je ziet, en de taal. En als je laatste veronachtzaamt, wordt het proza.
Wat je ziet. Vroeger een hele omschrijving: ik ween om bloemen in den knop gebroken, tot en met het klagende einde.
Ikzelf denk: een paar woorden. Een beeld zelfs. De spanning tussen twee, drie, vijf woorden: de handen van het geluk (ik zeg maar wat) – het persoonlijke beeld, een stukje dat je in de grammatica naast onderwerp, gezegde, lijdend voorwerp zou moeten benoemen: het bijzondere subjectief. Handen: concfeet. Geluk: abstract. Samen beïnvloeden ze elkaar, beïnvloeden ze jou, laten ze de waarneming zien van de dichter, waarbij de subjectieve keus van groot belang is en primair. Handen haalt het bijzondere naar het aardse. Geluk maakt van het aardse een wonder. Daar hebben ze in onze ogen, onze waarneming, wat tijd voor nodig. Daarom is visueel beter.
Dat subjectief wordt een deel van wat vroeger het jargon was. De poëzie zit ‘m niet meer in het gebeeldhouwde van de Perkiaanse sonnetten, maar in de beeldkeuze, in dat geladen beeld, omringd door wat ‘gewone’ taal zoals onopvallende werkwoorden, voorzetsels etc. (hoewel je soms ook van die ‘onbelangrijke’ woordjes gebruik kunt maken om – mede – tot poëzie te komen).
Ooit in Blurb zei Simon zoiets als dat ik niet swingde met m’n afbrekingen in De Zwaarte van het Licht. Nee, dat had ik ook niet gepoogd.
Nu schrijf ik meestal een soort blok. De afbrekingen zijn bijna willekeurig (hoewel ik soms wel wat doe met een regel die Nijhoff ooit vertelde: een zelfst. naamwoord rijmt niet op een zelfst. naamwoord, een adjectief niet op een adjectief (thuisgekomen keek ik Nijhoff na: maar hij hield zich niet aan z’n eigen regel).
Hoe ik tot die vorm kom?
In me ontstaat eerst een soort notie van: ik ga mezelf schrijven. Hoe en waarover. Geen idee. Dan wordt het een grijs vak, zoiets als het vilt dat je vroeger onder je Remington legde. En dan komen de woorden, soms fragmenten die je moet schikken en aanvullen, of soms gewoon in één flush. Wat zich uit de notie ontwikkelt, noteer ik. Het is nodig het te schrijven. In m’n korete cabaret met Koos Hak heb ik wel wat performance gedaan, maar het beklijfde niet. Ik schrijf liever. Het grijze vilt vult zich in. Om er echt een strakke rechthoek van te maken, trekt me niet aan – trouwens, de proportionele lettertypes staan dat niet toe. Toch is het centreren van het gedicht, dat ik vaak doe, een soort benadering van die vilten rechthoek (en zie ook m’n eerdere opmerking over Gill).
Let wel, die rechthoek is van vilt gemaakt. Met andere woorden: overal vilt. Dat betekent voor het gedicht: overal lading, overal geladen zinnen. We schrijven een schreeuw, schreef ik ooit in een In Memoriam Lucebert. Het Sinterklaasavondje interesseert ons nog hoogstens ex officio als stadsdichter. We schrijven een emotie. Een benadering van een vilten rechthoek.
Ik heb wel eens gebruik gemaakt van een overjump. Dat was heel functioneel. Toen ik in 1957 bij Ad den Besten en z’n vrouw zat om m’n bundel in de Windroos te bespreken (laatst bedacht ik hoe goed passend de titel was: Narcissus in Demon), hadden de twee gastgevers maar één opmerking: ergens moest een regel uit, of in ieder geval anders. Het was een overjump, zei ik, en weigerde, zei dat als ze doorgingen, ik m’n bundel zou intrekken. Ik geloof dat alleen Willem van der Molen het één keer van me gedaan heeft gekregen voor een publicatie mijner kin Kortheidshalve een woord te wijzigen.
Soms meende de zetter het beter te weten. In Qwerty staat hiernamaals i.p.v. hiernataals. Ik vind dat dodelijk, om in de sfeer te blijven. Een zetter kan je noodlot zijn. Het zou mooi zijn een komische tragedie te schrijven waarin de zetter de deus ex machine is.
Overigens, zie je hoe moeilijk ik het schrijven van gedichten vind?
Vraag
Ik heb al die mensenjaren van me gezien
hoe alle gezichten moesten wennen aan
hun eigen gezicht, hoe de blues van hun
ogen zong door hun neuzen, hoe de pijn
een schreeuwen in wangen en in lippen,
een grimas van een clown moest worden.
Hoe het laaien van hun lust, als krampen
in stem en spier, door liefde werd gezien.
Kom en lach. Kom en kreun in mijn lach.
Gewen aan mijn gezicht, dat een gezicht
wou zijn bij jou en zo ook werd herkend.
Deze zeven krampen waren je vertrouwd.
Doen ze vrede? Of een verborgen aanval?.
Ik heb al die mensenjaren van me gezien
hoe de wonden lagen in het platgevochten
gras, tijgersluipende naar elkanders dood.
Hoe ze bloedrood stierven op die sneeuw
die zo koninginne-wit is als een hermelijn.
Hoe ze bloedrood stierven in de dorst van
het gloeizand, stierven meters van de oase.
Hoe ze bloedrood stonden in onze kranten.
met nieuwe bloedmoed roepend om meer.
Hoe ze bloedrood stonden in onze kranten
met hun nieuw bloedleed roepend om nee.
En iemand in dit leeg heelal zei: het zijn
maar mensen, cijfers van pijn en van lust.
En iemand in dit vol heelal zei, o het zijn
koningen en koninginnen als de engelen.
Twee iemanden die plaatsloos zijn en één.
Maar ik vroeg: iemand, ik geef je de tijd
van zeven (7) krampen voor je antwoord.
Hoe moet ik leven als ik hier leven moet
en hoe te sterven als ik hier sterven ga?
buitenveldert jaar 0
Ons gedierte verzinkt met het veen in het water.
Onze voeten verdrinken heen de toekomst in.
Straks komt de Allerheiligenvloed uit het noorden
en draagt z’n schade als een storm over vis en worm.
Niemand zal ons ooit nog kennen. Nooit.
Boven ons gaan de wagens zonder paarden rijden,
die door Roger Bacon zijn voorspeld.
Stadsdeelvoorzitters zullen als centurions marcheren
over asfalt zoals eertijds uit de Dode Zee,
dat de kieren tussen heen en weder rijden breeuwt.
Gebouwen, hoger dan Babel, drukken er hun stempel
tot in het hart van de aarde.
Zelfs God ziet z’n hoogmoed met torens hoog vallen.
De vuisten van de bomen zullen zakken,
de schorsen scheuren als kranten,
de jaarringen een nul worden van niets.
De stadsdeelvoorzitters liggen op wachtgeld
allang naar Zorgvlied gepromoveerd.
De dichter sluit de rijen zinnen
en God verstopt in de witregels:
die late condensstrepen van hoop.
Ooit zullen zelfs de nee-nooit gebouwen
gemalen onpuin worden van kleurloos roze.
Tsja, de levenden zijn aan de aarde,
de doden dupe van de goden,
dupe in ons verdwijnend verdwenen zijn.
Hallelujah ons, samen met Terra,
die vuile bal in het heelal, is het gelukt:
nu heeft alleen de toekomst zin.
Karel N.L. Grazell
Amsterdamse
stadsdichter uit Zuid