.
het espenblad trilt
het is van de wind die zilt
aanwaait vanuit zee
de gezalfde bidt
totdat de storm gaat liggen
en het braambos brandt
en wij zien het aan
van ver was het gekomen
een zucht werd orkaan
,
.
hij rolt melancholie in z’n shag
en gezichten die in de tijd gevangen zitten
ontsnappen met de rook
weemoed vult z’n glas
en een schaduw uit het verleden
spreekt dezelfde taal van toen
er nog niets veranderd was
hij valt in slaap en droomt
dat hij de tango danst en niet meer wakker wordt
gevangen in verlangen
.
opnieuw bezie ik mijn ruimte:
oogkassen zonder blik
neusvleugels zonder vlucht
tongen zonder geur
klanken zonder kleur
immer aanloeiende vormen
in een onvertaalde storm
en ik fluister een vreemd gerucht
uit een adem zonder zucht
opnieuw beluister ik
in verborgen kasten
de gestolde beelden
in vergeelde verhalen
die blijvend eender zijn
door de ogen
van lege sleutelgaten
en ik verlam de stormen
op langgeruimde schappen
opnieuw nader ik mijzelf
en ik noteer:
mijzelf:
wand
stilleven (blauwe vaas met rozen)
open venster
snuivende rozen
slagzijmakende storm
blauwe scherven
blauwe lucht
ik ruik de vlucht
in wolken, roze wolken
maar dat is achter mijn rug
.
miljoenen goden
verdringen zich op hun trek
door het stelsel
onwetend, onbestemd
zijn zij, toch
te zijner tijd bestormen zij
de roze planeet
dringen in haar zachte lijf
ontglippen het zijne
of herscheppen zich
er is geen weg
en ook geen terug
en in een stille kamer
onverlicht en telkens weer
ontstaat uit een van hen
de mens nog zonder zucht
en reeds een vat vol vragen
(c) Beli