“De Polen komen niet,” zei de vrouw toen ze voor de balie langs liep. Kees Buijsse keek verstoord op van zijn krant.
“Hoezo, ze komen niet?” vroeg hij.
“Gewoon, ze komen niet,” antwoordde zijn vrouw van achter de deur die ze juist achter zich dichttrok. “Ze zullen hier niet logeren. Er is net gebeld.”
“Mooi is dat, een dag van tevoren,” gromde Kees. “Geweldig op tijd.” Er zouden weer kamers leeg blijven, maar hij wilde zich daar nu geen zorgen over maken. Hij keerde terug naar het artikel over een herontdekte Egyptische farao.
Hij keek verschrikt op toen er op de bel op de balie geslagen werd. Gewoonlijk had hij iedereen die zijn hotel betrad al bij het binnengaan van de draaideur in de gaten, maar deze bezoeker had hij niet opgemerkt. Aan de andere kant van de balie stond een man met donker, modieus geknipt haar, dat aan de slapen begon te grijzen. Hij was gekleed in een donkergrijs pak van Italiaanse snit met een gestreept overhemd en een stropdas met fantasiemotief. Een keurige man zo te zien. Een zakenman of een hoge ambtenaar, schatte Kees in.
“U bent de heer Buijsse?” vroeg de man.
“Die ben ik,” zei Kees. “Kan ik u ergens mee van dienst zijn?”
“Bent u alleen in het gebouw?” Kees fronste zijn wenkbrauwen.
“Mijn vrouw is bezig met de kamers boven en Albert is achter. Waarom wilt u dat weten?” Een vreemde vraag voor iemand die een kamer wilde, dacht hij er bij.
“Ja, weet u,” begon de man aarzelend, op zoek naar de juiste woordkeus, “ik ben een soort, ja toch een soort collega van u.” Kees vond het vreemd dat iemand met een zo zelfverzekerd voorkomen kennelijk in onzekerheid raakte bij het stellen van een vraag.
“Ik, ontvang gasten en houd ze aangenaam bezig,” vervolgde de man. “Nu moet ik echter plotseling naar het buitenland en ik zit dus verlegen om iemand die mij hier zou kunnen vervangen. Over u heb ik veel goeds gehoord van mijn, medewerkers, vandaar dat ik aan u heb gedacht. Ik ben ervan overtuigd dat u er voor voelt”
Kees haalde zijn schouders op.
“Waarom denkt u dat ik dat zou willen?” Het leek hem niet echt interessant en hij voorzag de nodige problemen in zijn hotel. Zijn vrouw zou hem verwijten dat hij haar alweer alleen liet. Alweer. Terwijl hij alleen maar af en toe op televisie een documentaire over de Grieken of de Romeinen wilde zien.
“Natuurlijk wordt u ervoor betaald,” ging zijn bezoeker verder. De man leek zichzelf weer meester. “Het honorarium is bijzonder goed, mag ik wel zeggen. Vanwege het unieke karakter van de werkzaamheden is dat ook geen wonder.”
Nu begon Kees toch nieuwsgierig te worden. Hij moest er achter zien te komen om welk bedrag het ging. Dan had hij meteen een argument voor zijn vrouw in handen.
“Wat wordt er van mij verwacht voor dat, honorarium?”
“Dat u onmiddellijk met mij meegaat. In de auto zal ik u er meer over vertellen.”
“Dat is niet zo eenvoudig. Kan ik het niet eerst overleggen met mijn vrouw?”
“Uitgesloten. Er mag absoluut niemand weten wat u gaat doen. En ik heb graag dat u nu beslist. Graag of niet.”
Na deze woorden draaide de man zich om en liep in de richting van de draaideur. Kees greep de huistelefoon om tegen zijn vrouw te zeggen dat hij snel een leverancier moest bezoeken, maar ze nam niet op. Dan niet, dacht hij. Wat zou het ook. Erg lang kan het niet duren. Vlug hing hij de hoorn weer terug en holde van achter de balie vandaan de man achterna.
Buiten stond een grote donkerblauwe auto met draaiende motor voor de deur. De man zat achter het stuur en had het andere portier voor Kees geopend.
“Stapt u in, meneer Buijsse. U ziet dat ik mij zelden in mensen vergis.”
Kees stapte in en sloot het portier. Hij zag dat de man een zonnebril had opgezet. Ze reden weg. In de richting van het havenkwartier, zo vertelde de man hem.
“Misschien kunt u iets meer vertellen over uw bezigheden,” begon Kees.
“Hoe zal ik het u zeggen. Ik hoop dat ik u niet aan het schrikken maak, dat zou me werkelijk spijten.”
“Weest u daar maar niet bang voor. Ik heb heel wat vreemde snoeshanen mijn hotel zien binnenkomen. Zo ziet u er niet uit.”
“Zo ziet u maar weer hoe een mens zich kan vergissen. Ik ben de Dood.”
Kees glimlachte. Er werd nu ongetwijfeld een grap met hem uitgehaald. Hij keek naar buiten, maar er was niemand op straat.
“En ik nog wel denken dat mijn uitvaartverzekering een zwarte lijkwagen en drie volgauto’s vergoedde! Zonde van al die premie …” Hij probeerde luchtig te klinken. De man moest niet in de gaten krijgen dat hij wist dat hij er tussen genomen werd.
“U neemt het nogal grappig op,” onderbrak de man hem. “Wat is het toch jammer dat u zo weinig oog hebt voor details. Kijkt u eens naar buiten, meneer Buijsse.”
Er stonden gebouwen aan weerszijden van de weg, maar hij herkende ze niet. Er was niemand niemand op straat. De lucht was grijs, onheilspellend. Kees rilde. Hij probeerde tevergeefs de omgeving te herkennen en begon bang te worden. Hij keek opzij en zag dat de man hem dreigend aankeek. Een gek, ging het door hem heen. Hij merkte dat hij hijgde.
“Weest u niet bang, meneer Buijsse,” lachte de man plosteling, “ik kom u niet halen, zoals men dat pleegt te noemen. Ik heb niet tegen u gelogen, ik heb het goed met u voor. Ik heb u werkelijk nodig.”
Buiten scheen de zon door de wolken heen en de man naast hem was opeens de vriendelijkheid zelf. Hij klopte Kees geruststellend op de schouder.
“Hoe moet ik dat geloven?” vroeg die.
“Heel eenvoudig, door het te beleven. U bevindt zich nog altijd gewoon in uw eigen stad. Kijkt u maar.”
De man wees schuin voor hem langs en toen hij in die richting keek, zag Kees de toren van de Grote Kerk boven de gebouwen uit steken.
“Ik hoop, dat we nu ter zake kunnen komen,” zei de man. “Er is nog maar weinig tijd om u alles te vertellen wat u weten moet.”
Kees voelde dat de verwarring bezit van hem begon te nemen en probeerde krampachtig zijn gedachten bij elkaar te houden. In een uiterste poging tot nuchterheid woog hij de mogelijkheden en hun consequenties tegen elkaar af. Of de man was een fantast en een rare snijboon. In dat geval zou hem niets kunnen overkomen, zolang hij maar meewerkte. Wanneer het hem te gortig werd kon hij op een geschikt moment gewoon de benen nemen. Daarbij ging er van de man geen enkele dreiging uit, zodat Kees zich niet kon voorstellen dat hij agressief zou kunnen worden.
De andere mogelijkheid bleef moeilijk te geloven. Als hij nu werkelijk naast de Dood in de auto zat, die bovendien een klus voor hem had, kon hij maar beter niet te veel tegensputteren.
“Goed, meneer de Dood, steekt u maar van wal.”
Zijn metgezel beschreef hem het gebouw, waar de doden na hun overlijden werden afgeleverd en welke procedures bij die aflevering in acht moesten worden genomen.
“Denk er om dat de lichamen die gebracht worden ontzield zijn en dat ook moeten blijven. Het zal je opvallen dat alle lichamen puntgaaf zijn, ook al hebben ze de meest gruwelijke ongelukken ondergaan, of zijn ze op de operatietafel grondig uit elkaar gehaald. Ze staan als het ware te wachten om weer in gebruik genomen te worden. De zielen daarentegen worden elke ochtend apart afgeleverd in stalen cassettes. Het is van groot belang dat deze onmiddellijk achter slot en grendel worden opgeborgen en daar ook blijven. Wanneer ziel en lichaam bij elkaar komen, kunnen er de verschrikkelijkste dingen gebeuren. Dingen die je niet kunt overzien. Gevaarlijke dingen”
“Hoe komen die lichamen zo gaaf?” wilde Kees weten.
“Die zijn al geprepareerd voor de jongste dag. Ben je gelovig?”
Kees mompelde dat hij als kind iedere zondag twee maal naar de kerk moest.
“Dat is dan een meevaller. Ik zou mijn ogen maar goed de kost geven als ik jou was. Er is hier het een en ander waarmee je je voordeel kunt doen.”
“Wat gebeurt er eigenlijk met al die zielen?”
“Die blijven in hun cassettes tot de jongste dag. Dan worden ze weer de bezieling van de bijbehorende lichamen en worden die pakketten tenslotte geselecteerd voor hun eindbestemming…”
“De hemel of de hel!”
“Inderdaad. Zo staan ze hier bekend.”
“Bent u er al eens geweest?” Kees werd nu echt nieuwsgierig. Stel je voor dat hij er alvast een kijkje mocht nemen. Maar dat was vast te veel gevraagd.
“Er worden volop voorbereidingen getroffen, al is er nog niets definitiefs gebouwd. Het ziet er veelbelovend uit.”
Kees zag dat er een fijne glimlach krulde om de mond van de ander. Hij huiverde.
“Ik weet er weinig van hoor,” zei de man naast hem, “mijn taak gaat niet verder dan het eind van de tijd. Daarna zal er wel iets anders vrijkomen.”
Kees begon zich voor te stellen wat een enorm gebouwencomplex de ander onder zijn beheer moest hebben. Hoewel hij nog steeds niet wist wat er precies van hem werd verwacht, was hij bang dat zijn taak hem zeer snel boven het hoofd zou kunnen groeien.
“Hoe groot is de, opslagruimte eigenlijk?” vroeg hij.
“Daar zou ik me maar geen voorstelling van maken. Veel te groot voor je gedachten. Maar dat is niet belangrijk, want alles is geautomatiseerd. Je werkterrein zal zich beperken tot de controleruimte van het geheel. Wat administratieve handelingen en af en toe een praatje maken, als je daar tenminste zin in hebt.”
“Maar, hoe moet ik me dat voorstellen?”
“Dat kun je dadelijk met eigen ogen zien, want we zijn er.”
De auto stond stil voor een grote metalen loods, waarop met vaalwitte letters “O.E.de.T.” was geschilderd. Kees wilde vragen waar deze afkorting voor stond, maar de ander was hem voor.
“De afkorting staat voor Opslag Einde der Tijden. Je ziet dat de vlag de lading dekt.”
Het verwonderde Kees dat geen enkele inwoner van zijn stad ooit iets vreemds was opgevallen aan deze loods. De man was inmiddels uitgestapt en had een deur geopend. Kees opende het portier, stapte uit en volgde zijn tochtgenoot naar binnen. Het portaal leek wat op een lift, maar knoppen en cijfers ontbraken.
“Ik hoop, dat je er geen bezwaar tegen hebt om onder de grond te gaan,” zei de ander.
Kees mompelde dat dat waarschijnlijk onvermijdelijk was. De ruimte waarin ze zich bevonden bewoog geruisloos; eerst enige tijd omlaag, daarna in horizontale richting met af en toe een flauwe bocht. Zijn metgezel zweeg en keek met een nietszeggende blik voor zich uit. Hij leek tegelijkertijd diep in gedachten en volkomen afwqezig. Kees durfde hem niets te vragen. Het zou hem allemaal wel duidelijk worden.
Na enige tijd kwam de cabine tot stilstand. De deur werd geopend en Kees keek in een ruimte die volkomen donker was.
“Hier scheiden zich tijdelijk onze wegen,” zei de man. “We zien elkaar bij de uitgang. Tot dadelijk. Gaat uw gang.”
Kees aarzelde even, maar stapte toch de ruimte binnen. Onmiddellijk voelde hij een grote opluchting, als had hij de grootste stap van zijn leven gedaan. Hij wilde hardop lachen, maar iets in hem hield hem tegen. Niet te uitbundig, Kees, sprak hij zichzelf toe. Eerst precies weten waar je aan toe bent.
Voor hij de gelegenheid had om rond te kijken, ging er voor hem een schuifdeur open. Hij herkende zijn metgezel, die hem naar zich toe wenkte.
“Welkom in de controleruimte, meneer Buijsse! Hier is het commandocentrum van mijn rijk, zal ik maar zeggen.”
Verwonderd keek Kees om zich heen. De ruimte waarin zij zich bevonden was vierkant en hij schatte de afstand tussen de hoeken op vijftig meter. De wanden liepen de eerste vijf of zes meter recht omhoog, maar vertoonden op die hoogte een knik naar binnen. Ze kwamen bij elkaar in een punt dat zich tientallen meters boven zijn hoofd bevond, als in een piramide. In het midden van de ruimte bevond zich een gelijkvormige constructie, waarin allerlei beeld- en geluidapparatuur was geïnstalleerd. Een twintigtal mannen en vrouwen werkte geluidloos en met vloeiende bewegingen met de veelheid aan apparaten die zich in de constructie bleken te bevinden. Met open mond probeerde Kees te ontdekken hoe al die spullen waren weggewerkt. Met verbazing keek hij toe hoe een lade met daarin een toetsenbord als van een computer zich sloot en zich weer opende – en toen een aantal landkaarten bleek te bevatten. Juist toen Kees het van dichterbij wilde bekijken, omdat hij plotseling allerlei ideeën voor de inrichting van zijn hotel kreeg, tikte de ander hem op de schouder.
“Heb je gezien hoe laat het is?” vroeg zijn tochtgenoot.
Verstrooid keek Kees op zijn horloge.
“Vijf uur en een beetje. Hoezo?”
“Ik word om kwart voor zes afgehaald en ik moet je nog het een en ander uitleggen. Fraai uitzicht, nietwaar?”
Pas toen drong het tot Kees door dat er in iedere wand een groot venster was gemaakt. Voor hem leek een groot aquarium te zijn, met diepblauw water en af en toe een voorbijschietende school vissen. Links keek hij in een diepe kloof met aan weerskanten prachtig gelaagde rotswanden van roodbruin gesteente. Een hagedis schoot weg achter een kei.
Aan zijn rechterhand dreven wolken voorbij. In de verte trok een vliegtuig condensstrepen. Toen hij zich omdraaide, moest hij zijn ogen sluiten voor het felle licht.
“Sorry, meneer Buijsse. Ik vergat dat u hier nieuw bent,” zei de man en gaf hem een zonnebril.
“Deze vier ramen” vervolgde hij, “zijn mijn vensters op de wereld. Hier kan ik iedere gebeurtenis zien die nu op dit moment plaatsvindt en alles wat in het verleden is gebeurd. Noem het en je zult het zien.”
“Eens even denken. Het oude Egypte?” Het lag voor de hand. Hij zou die pas ontdekte farao wel in leven willen zien.
Door het venster waar hij zoëven nog de kloof had gezien, keek hij nu de woestijn in. Achter de sfinx zag hij een half afgebouwde piramide, die overdekt was door kleine bewegende figuurtjes. De figuren werden groter en hij naderde een man die van een afstand naar de werkzaamheden stond te kijken. Juist toen hij zijn gezicht zou zien, leide zijn metgezel hem af met de vraag of hij niet meer wilde zien.
“De Chinese muur?” stelde de man voor. Het beeld werd onmiddellijk vervangen door dat van een stenen slang in een heuvelachtig landschap, die door de werkzaamheden van duizenden kleine gestalten steeds langer werd. Achtereenvolgens schoven de voorstellen van zijn reisgenoot hem de Rivièra, Lapland en het Westafrikaanse oerwoud voor ogen.
“Je ziet dat het werkt, Kees. Ook jouw gedachten worden gehoorzaamd. En nu komen we bij het belangrijkste.”
De ander nam Kees mee naar de constructie in het midden van de zaal. Van achter een wegschuivend luikje kwam een beeldscherm tevoorschijn en ter hoogte van zijn handen schoof een lade open. Ook hierin bevond zich een soort scherm met toetsen, die op het gladde oppervlak leken te liggen.
“Dit is de toegang tot de opslag. Alle gegevens over de hier opgeslagen doden zijn hier aanwezig. Geboorte, levensloop, carrière, vreemde gewoonten, je noemt het maar. Het zit er allemaal in.”
“Dus als ik zou willen weten hoe mijn grootvader is gestorven, vind ik dat hier,” stelde Kees vast.
“Inderdaad. Laten we eens kijken.”
De man joeg door de indexen alsof zijn laatste uur was aangebroken. Hij moest nu echt haast hebben. Kees keek op zijn horloge: tien over half zes. Hij had inderdaad weinig tijd meer. De tijd leek hier voorbij te vliegen. Opeens verscheen het gezicht van een man op het beeldscherm. Kees verwonderde zich, omdat hij, ook na enige tijd het gezicht bekeken te hebben, niet kon vaststellen of de man er nu jong of oud uitzag. Het was zonder twijfel zijn grootvader, maar het leek of zijn uiterlijke kenmerken voortdurend in elkaar overgingen. Hij was tegelijkertijd uitgerust met snor en baard, zoals tijdens grote delen van zijn leven, als volkomen kaal, zoals vlak voor zijn dood.
“Vergiftigd met arsenicum,” zei de man droog. Kees vloekte.
De ander keek hem verwijtend aan.
“Hoewel ik de opdracht heb om in die dingen strikt neutraal te blijven, hoor ik dergelijke taal hier liever niet.”
Kees zon inmiddels op een manier om het zijn grootmoeder, die nog altijd, nu dichter bij de honderd dan bij de negentig, het voorouderlijk landhuis bewoonde, betaald te zetten.
“Ik zal je nog even laten zien hoe je met hem kunt praten,” zei de ander. Hij bewoog zijn hand over het scherm waar Kees’ grootvader te zien was en schoof Kees naar voren.
“Ha Kees, jongen van me! Jou heb ik lang niet gezien!”
“Dat sekreet heeft je vergiftigd, opa. We hebben nog geen cent gezien, ze zit alles zelf op te maken.”
“Je moet je schamen, zo over je grootmoeder te praten! Zo’n goed mens als zij is zeldzaam in de wereld. Je zou …”
“Maar opa, je bent dood! Wat weet jij daar nu van!”
“Wat ben jij toch een eigenwijs kereltje geworden. Ik zal er eens met je vader over spreken.”
“Maar die is ook al …”
Zijn metgezel schoof Kees opzij en bewoog zijn hand weer over het scherm, dat onmiddellijk zwart werd.
“Ik zal je verdere pijnlijkheden besparen. De doden denken dat ze nog leven en hebben geen enkele herinnering aan hun dood. Van wat er daarna is gebeurd weten ze uiteraard ook niets. Dat moet ook zo blijven. Over het algemeen zijn hun levens trouwens veel interessanter.”
“Ik begrijp het. Hier kan geen vlieg kwaad doen. Ik vraag me af waarom er hier iemand aanwezig moet zijn. En helemaal waarom ik die iemand ben. Bovendien, wie paste er hier op toen u mij haalde?”
“Dat is nogal eenvoudig. Vanwege het, speciale karakter van deze plaats zal ik maar zeggen, is het personeel zonder wil of eigen initiatief. Alles wat je hen opdraagt, voeren ze uit, voor zover het in hun vermogen ligt natuurlijk. Het probleem is alleen dat niet alle mogelijke situaties van tevoren te voorspellen zijn. Daarom kunnen wij ons personeel helaas niet op alles voorbereiden. Een onvoorziene gebeurtenis zal hen onvermijdelijk tot stilstand doen komen, met als gevolg niet afgehandeld werk, vol rakende opslagruimten en uiteindelijk het niet meer kunnen sterven van mensen. Je zult begrijpen hoe dat het leven zou ontwrichten. Het is daarom van het allergrootste belang dat de administratie blijft kloppen. Het enige stille uurtje van de dag is tussen vier en vijf. Precies genoeg tijd om je te halen.”
“Ik begrijp nog steeds niet waarom ik hiervoor ben uitgekozen.”
“Dat kan ik je nu wel vertellen. Het is een kwestie van, voorspraak, laten we maar zeggen.”
“Ik begrijp het niet.”
“Het is niet zo ingewikkeld. Je hebt ooit drie Poolse vrachtwagenchauffeurs in je hotel ondergebracht, die midden in de nacht aanbelden.”
“Ja, de Polen…”
“Ze waren erg blij dat je hen het nodige van de Nederlandse taal hebt bijgebracht. Zij hebben je bij mij aanbevolen.”
“Ik vond het al vreemd dat er geen enkele aanduiding op hun vrachtwagen te zien was.”
“Alles dient discreet en efficiënt te gebeuren. Dat verwacht ik hier ook van jou.”
“Maar de Polen komen dit jaar niet. Mijn vrouw…”
“Dat klopt, dat was ik bijna vergeten. We staan voor een sterke uitbreiding van onze organisatie, het aantal vestigingen wordt sterk vergroot. We hebben onze ervaren krachten opnieuw moeten verdelen over de locaties. Dat geldt ook voor hen. Ze zullen je hotel niet meer bezoeken. Maar er komen anderen. Je zult het zien.”
“Maar, als het hier toch fout gaat, wat moet ik daar dan aan doen?”
“Dat is nu precies de reden waarom ik jou voor deze klus heb uitgekozen. Doe maar net alsof dit je hotel is en je zult zien dat het allemaal vanzelf gaat.”
Eindelijk begon de eenvoud van het hem gevraagde tot Kees door te dringen. Een hotel, natuurlijk. Het was zo simpel als wat. Personeel was in ruime mate voorhanden en naar hun bewegingen te oordelen voerden zijn helpers hun taken snel en soepel uit.
“Ik moet nu echt gaan,” onderbrak de ander Kees’ gedachten. “Denk er goed om: onze eerste en enige regel is dat de administratie moet blijven kloppen. Blijf kalm en doe je best. Gegroet.”
De ander verliet de ruimte via dezelfde deur als die waardoor Kees haar was binnengekomen. Toen de stalen deuren zich achter hem hadden gesloten, bedacht Kees dat ze het honorarium nog niet hadden besproken. Vrijwel meteen gleed deze gedachte van hem af. Het was niet belangrijk, zijn broodheer zou niet gierig zijn. Kees voelde zich uitstekend. Het leek of het leven hem de laatste uren een stuk gemakkelijker afging.
De grote schermen trokken weer zijn aandacht. Nu hij het kunstje onder de knie had, vloog hij in een oogwenk door de wereldgeschiedenis. De veldtochten van zijn jeugdheld Alexander de Grote maakte hij van nabij mee, zijn ooggetuigenis van diens dood bracht hem tot tranen. De moord op Caesar en de orgiën van Caligula brachten hem van afgrijzen naar walging. Hannibal en Scipio, Aetius en Attila, Vortigern en Ambrosius, hij was hun vertrouweling, hun wapenbroeder, hun raadsman, hun kroniekschrijver, hun vriend. Hun woorden, hun blikken en hun gebaren brachten hem langzamerhand in een roes van almacht en onsterfelijkheid. De wereld lachte hem waarachtig toe en hij lachte terug met een luide gulle lach.
Op dat moment vroeg hij zich af waar zijn metgezel zich zou bevinden en onmiddellijk werden alle vier schermen zwart. De mannen en vrouwen in de controleruimte bevroren in de handeling die ze uitvoerden en keken hem met lege ogen aan. Een ogenblik gebeurde er helemaal niets en was het doodstil. Van zijn hoge oppermacht viel Kees in de afgrond van de besluiteloosheid. Daar was het zover. De Dood had niets teveel gezegd, het goed geoliede raderwerk stokte.
Kees liep naar de controlepiramide en drukte lukraak op een paar toetsen. Een lade met een toetsenbord schoof zich naar hem uit, een beeldscherm ontmaskerde zich. Aan het licht dat de ruimte plotseling vulde, leidde Kees af dat het venster op de wereld weer hersteld was. Toen hij om zich heen keek, zag hij dat alle medewerkers hun taak weer hadden opgepakt.
Met zijn rechtermouw veegde hij het zweet van zijn voorhoofd. Het drong nu pas tot hem door dat hij hijgde. Hij was geschrokken en moest aan zichzelf toegeven dat de gebeurtenis van daarnet hem uit zijn evenwicht had gebracht. Hij kon zich wel voor zijn kop slaan. Een waas van almacht, een moment van roes, een ogenblik van onoplettendheid, bijna was het spel uit geweest. Hij moest nadenken. Dit karwei verdiende een serieuze aanpak.
Een geluidssignaal trok zijn aandacht naar het controlepaneel. Op het beeldscherm werd een viertal gezichten getoond met erbij de namen en andere persoonlijke gegevens. Onwillekeurig drukte Kees op een toets van het bijbehorende toetsenbord en zag dat er vier nieuwe gezichten op het scherm verschenen. Pas nadat drie maal een viertal nieuwe gezichten het scherm bevolkt had, realiseerde Kees zich dat hij was doorgedrongen tot het zenuwcentrum van het complex – de administratie van lichamen en zielen.
Hij bekeek het scherm aandachtig, probeerde enkele toetsen en stelde toen tevreden vast dat hij het systeem onder controle had. Een tijdlang dacht hij na, tot een glimlach op zijn gezicht, die zich verbreedde tot een grijns, de aankondiging vormde van een fantastische inval. Voorzichtigheid was nu geboden, wilde hij niet nog eens met onnadenkendheid zijn hand overspelen. Zijn vingers bewogen zich nu met de soepelheid en accuratesse van tientallen jaren ervaring. Ogenblikken later keek een bekend en geliefd gezicht hem van het beeldscherm aan. Hij zag verbaasde en zorgelijke ogen.
“Kees, ben jij dat jongen?” De vrolijke, wat hese stem waarmee ze hem vaak terechtwees.
“Dag moeder. Ik ben het hoor. Ik kom je halen.” Hij probeerde zo kalm mogelijk te klinken. Ze moest niet ongerust worden.
“O, maar er is al een meneer geweest. Een keurige heer, werkelijk waar. Hij heeft …”
“Geeft niet, moeder, hij weet ervan. Als ik dit werkje klaar heb, zie ik je.” Ze keek hem niet-begrijpend aan en even leek ze te willen tegensputteren. Kees zweeg en zag haar gezicht weer in vriendelijke plooien tot rust komen.
“Dat is fijn, jongen. Ik zie er echt naar uit. Je moet niet zo hard werken hoor, we zien je veel te weinig .”
“Tot later, moeder. Ik ben zo klaar.”
Omzichtig maar beslist ging hij nu te werk. Wat een prachtige verrassing voor als hij dit klusje geklaard had. Als hij het goed aanpakte, zou niemand merken dat zijn moeder de opslagplaats voortijdig verliet. De administratie zou blijven kloppen. Een ziel eruit en een lichaam eruit, de totalen bleven gelijk. Geen haan die er naar zou kraaien.
Een melding op het scherm bewees dat de ziel van moeder gereed stond om belichaamd te worden. Snel ging hij over naar het kiezen van een geschikt lichaam. Dat zijn moeder zou terugkeren in haar eigen lichaam was uitgesloten: veel te veel mensen zouden haar herkennen, ze zou alleen maar opschudding veroorzaken. Nee, hij had een veel beter idee. Zijn moeder zou als een leuke jonge vrouw op aarde terugkeren en alleen haar zoon zou haar herkennen.
Op het toetsenbord bevestigde hij zijn keuze voor het lichaam van een aardige brunette en de vleeswording van zijn moeder’s ziel. De cassette van haar ziel was nu leeg, ergens in de enorme opslagplaats stond een stalen koker klaar om naar de oppervlakte gebracht te worden.
Hij controleerde het aanvoerschema en bekeek het nog eens om absoluut zeker te zijn. Over tien minuten zou het volgende transport aankomen. Hij wist niet of dat voldoende tijd was, maar hij had geen keus. Met trillende vingers zette hij de verplaatsing van de koker in gang. Op het beeldscherm kon hij de beweging van het voorwerp door het immense labyrint goed volgen. Hij voelde hoe zijn keel werd dichtgeknepen en hoe zijn maag zich samentrok, terwijl zijn moeder steeds dichter bij de uitgang kwam. De minuten die verstreken stonden in geen verhouding tot de uren die voorbij leken te gaan. Na drie minuten en drieënveertig seconden begon de nu lege stalen koker aan zijn terugweg naar de voor hem geselecteerde plaats. Zevenentwintig seconden later sloten de deuren van het gebouw zich achter een jonge vrouw, die nog wat onwennig en de ogen dichtknijpend tegen het zonlicht op weg ging naar het stadscentrum. Kees kon weer ademhalen.
Hij moest zichzelf in bedwang houden en zijn gedachten met kracht terugdringen: hoe graag zou hij door het raam getuige zijn van de eerste voetstappen van zijn moeder in dit nieuwe leven!
De Geschiedenis bood hem uitkomst. Terwijl hij op het dichtstbijzijnde raam getuige was van een aantal beroemde en zeer bloedige veldslagen, slaagde hij erin om zijn emoties onder controle te krijgen. Voorzichtig begon hij plannen te maken voor wanneer hij zijn opdracht zou hebben afgerond. De gedachte aan de forse beloning die hem in het vooruitzicht was gesteld, maakte hem bovendien enigszins hebberig. Een mooie nieuwe auto, een zeiljacht, een reis naar de Pacific. Hij zou het hotel verkopen en een mooi huis op een tropisch eiland kopen, waar zijn moeder zou kunnen wonen en hij zo vaak op bezoek zou kunnen gaan als hij zelf wilde.
Achter zich hoorde hij een geluid en toen hij omkeek zag hij de stalen liftdeur zich openen. Zijn opdrachtgever stapte uit de lift. Hij liep meteen naar Kees toe en stak zijn hand naar hem uit. Kees voelde het bloed uit zijn gezicht wegtrekken.
“Alles ziet er goed uit, Kees. Nog bijzonderheden?”
“Nee, niets bijzonders” antwoordde Kees, terwijl hij de ander de hand schudde. Hij voelde dat hij hevig zweette en hij kon nauwelijks op zijn benen blijven staan. De ander moest wel merken dat er iets aan de hand was. Hij deed zijn best om zo gewoon mogelijk te klinken.
“Het is allemaal zo vlug gegaan, het lijkt wel alsof er hier geen tijd bestaat.”
De man glimlachte fijntjes.
“Ik neem aan dat je je kennis van de wereldgeschiedenis met wat beelden hebt verluchtigd.”
“Zeker, het is nu net of ik er bij was.”
De ander keek de ruimte rond en leek tevreden met wat hij zag.
“Als alles hier naar wens geregeld is,“begon Kees, “zou ik graag naar huis gaan. En ik zou graag het geld krijgen. Ik weet dat we het daar nog niet over gehad hebben, maar ik zou zeggen vijf miljoen gulden. Je zat tenminste aardig omhoog en ik heb je er toch maar mooi uit gered. Ik zeg vijf miljoen. Minstens. Je mag ook meer geven als je tevreden bent. Geld speelt voor jou immers geen rol.”
Hij had het gezegd en dat luchtte hem op. Vijf miljoen. Dat was een mooi bedrag. Veel geld, dat wel, maar hij had er recht op. Hij keek zijn metgezel verwachtingsvol aan, maar diens blik bleef ondoorgrondelijk.
“Ik ben hier nu toch klaar?” begon Kees weer, maar de man legde hem met een handgebaar het zwijgen op.
“Kijk eens Kees, je hebt hier dingen gezien die geen andere sterveling heeft gezien. Los van het feit dat je nu te veel weet om ongevaarlijk te zijn voor de goede voortgang van mijn werkzaamheden, zou het ook niet eerlijk zijn tegenover je lotgenoten. Maar bovenal, er is nu een plek leeg. De administratie klopt niet meer en als ze daar achter komen ben ik mijn baan kwijt. Om maar niet te spreken van de andere gevolgen.”
“Een plek leeg? Hoe kom je daar nu bij?! Alles klopt precies! Tel de zielen en de lichamen maar na. Precies gelijk. Je zult het zien.” Hij sprak met de stem van iemand die wist dat hij niet weerlegd kon worden.
“Er is een plek leeg en dat weet je net zo goed als ik.” De Dood keek hem streng aan. “Er ontbreekt een ziel en een lichaam. Die totalen zijn precies gelijk. Maar er is een plaats leeg. Dat totaal klopt nu niet meer. Dat is ernstig. Heel ernstig. De totalen moeten altijd kloppen. Dat weet je heel goed. Daarom is die lege plaats nu voor jou.”
“Maar u kunt me toch niet zomaar laten verdwijnen?!”
“Nee, dat is een feit. Ik houd er ook van om alles netjes af te wikkelen. Daarom heb ik mijn voorzorgsmaatregelen getroffen. Kijk maar eens mee.”
Door het dichtstbijzijnde raam keken ze naar de balie van Kees’ hotel. Terwijl een donkergeklede gestalte door de draaideur naar buiten liep, zakte Kees achter het buffet in elkaar. Het vervolg trok als een film aan Kees voorbij: zijn vrouw die hem vond en een ambulance belde, het ambulancepersoneel dat hem per brancard wegbracht en uiteindelijk een ziekenhuiszaaltje, waar zijn vrouw en Albert bij het bed zaten waarin hij, aangesloten op infuus en monitor, in leven werd gehouden.
“Je bent een bevoorrecht mens, Kees,” zei de Dood. Evenmin als er ooit iemand heeft gezien wat jij hier allemaal gezien hebt, is er ooit een mens zo bij zijn eigen sterfbed aanwezig geweest.”
“Je had me daar gewoon kunnen laten bijkomen,” gromde Kees bitter.
“Dat geef ik toe, maar ik vond het veiliger om je ziel maar meteen mee te nemen hier naartoe. Toen je uit de lift deze ruimte instapte, was je hem al kwijt. Ik heb je al uitgelegd dat ik geen keus heb. Ook ik ben verantwoording schuldig, zie je.”
Ze zagen in het raam dat er inmiddels een aardig uitziende brunette in de deuropening van de ziekenzaal was verschenen. Het was duidelijk dat ze in tweestrijd was. Met een zacht kuchje probeerde ze haar aanwezigheid kenbaar te maken.
Kees zag zijn vrouw opkijken. Op haar gezicht vochten verwondering en achterdocht om voorrang.
“Kijk, ze heeft je gevonden. Wat is het moederinstinct toch een mooie eigenschap,” zei de Dood. “Alleen jammer dat niemand haar herkent.”
Met afgrijzen zag Kees dat zijn vrouw een blik vol jaloezie en wrok wierp naar zijn moeder, als was zij een mededingster.
“Ik zal het niet nòg moeilijker voor je maken, Kees,” zei de Dood en pakte Kees bij de arm. “Voor de volgauto’s is gezorgd. Kom je mee?”
Even weifelde Kees, maar toen rukte hij zich met een woest gebaar los uit de greep van de Dood. Dit kon niets anders zijn dan een nachtmerrie. Hij wilde naar de deur vluchten, maar hij was alleen. Behalve de gladde metalen wanden om hem heen was er niets te zien.
© HSP Bitter