Archive for March, 2008

Posted by H.S.P. Bitter at 29 March 2008

Category: Proza

Tags: , ,

“De Polen komen niet,” zei de vrouw toen ze voor de balie langs liep. Kees Buijsse keek verstoord op van zijn krant.
“Hoezo, ze komen niet?” vroeg hij.
“Gewoon, ze komen niet,” antwoordde zijn vrouw van achter de deur die ze juist achter zich dichttrok. “Ze zullen hier niet logeren. Er is net gebeld.”
“Mooi is dat, een dag van tevoren,” gromde Kees. “Geweldig op tijd.” Er zouden weer kamers leeg blijven, maar hij wilde zich daar nu geen zorgen over maken. Hij keerde terug naar het artikel over een herontdekte Egyptische farao.
Hij keek verschrikt op toen er op de bel op de balie geslagen werd. Gewoonlijk had hij iedereen die zijn hotel betrad al bij het binnengaan van de draaideur in de gaten, maar deze bezoeker had hij niet opgemerkt. Aan de andere kant van de balie stond een man met donker, modieus geknipt haar, dat aan de slapen begon te grijzen. Hij was gekleed in een donkergrijs pak van Italiaanse snit met een gestreept overhemd en een stropdas met fantasiemotief. Een keurige man zo te zien. Een zakenman of een hoge ambtenaar, schatte Kees in.
“U bent de heer Buijsse?” vroeg de man.
“Die ben ik,” zei Kees. “Kan ik u ergens mee van dienst zijn?”
“Bent u alleen in het gebouw?” Kees fronste zijn wenkbrauwen.
“Mijn vrouw is bezig met de kamers boven en Albert is achter. Waarom wilt u dat weten?” Een vreemde vraag voor iemand die een kamer wilde, dacht hij er bij.
“Ja, weet u,” begon de man aarzelend, op zoek naar de juiste woordkeus, “ik ben een soort, ja toch een soort collega van u.” Kees vond het vreemd dat iemand met een zo zelfverzekerd voorkomen kennelijk in onzekerheid raakte bij het stellen van een vraag.
“Ik, ontvang gasten en houd ze aangenaam bezig,” vervolgde de man. “Nu moet ik echter plotseling naar het buitenland en ik zit dus verlegen om iemand die mij hier zou kunnen vervangen. Over u heb ik veel goeds gehoord van mijn, medewerkers, vandaar dat ik aan u heb gedacht. Ik ben ervan overtuigd dat u er voor voelt”
Kees haalde zijn schouders op.
“Waarom denkt u dat ik dat zou willen?” Het leek hem niet echt interessant en hij voorzag de nodige problemen in zijn hotel. Zijn vrouw zou hem verwijten dat hij haar alweer alleen liet. Alweer. Terwijl hij alleen maar af en toe op televisie een documentaire over de Grieken of de Romeinen wilde zien.
“Natuurlijk wordt u ervoor betaald,” ging zijn bezoeker verder. De man leek zichzelf weer meester. “Het honorarium is bijzonder goed, mag ik wel zeggen. Vanwege het unieke karakter van de werkzaamheden is dat ook geen wonder.”
Nu begon Kees toch nieuwsgierig te worden. Hij moest er achter zien te komen om welk bedrag het ging. Dan had hij meteen een argument voor zijn vrouw in handen.

“Wat wordt er van mij verwacht voor dat, honorarium?”
“Dat u onmiddellijk met mij meegaat. In de auto zal ik u er meer over vertellen.”
“Dat is niet zo eenvoudig. Kan ik het niet eerst overleggen met mijn vrouw?”
“Uitgesloten. Er mag absoluut niemand weten wat u gaat doen. En ik heb graag dat u nu beslist. Graag of niet.”
Na deze woorden draaide de man zich om en liep in de richting van de draaideur. Kees greep de huistelefoon om tegen zijn vrouw te zeggen dat hij snel een leverancier moest bezoeken, maar ze nam niet op. Dan niet, dacht hij. Wat zou het ook. Erg lang kan het niet duren. Vlug hing hij de hoorn weer terug en holde van achter de balie vandaan de man achterna.
Buiten stond een grote donkerblauwe auto met draaiende motor voor de deur. De man zat achter het stuur en had het andere portier voor Kees geopend.
“Stapt u in, meneer Buijsse. U ziet dat ik mij zelden in mensen vergis.”
Kees stapte in en sloot het portier. Hij zag dat de man een zonnebril had opgezet. Ze reden weg. In de richting van het havenkwartier, zo vertelde de man hem.
“Misschien kunt u iets meer vertellen over uw bezigheden,” begon Kees.
“Hoe zal ik het u zeggen. Ik hoop dat ik u niet aan het schrikken maak, dat zou me werkelijk spijten.”
“Weest u daar maar niet bang voor. Ik heb heel wat vreemde snoeshanen mijn hotel zien binnenkomen. Zo ziet u er niet uit.”
“Zo ziet u maar weer hoe een mens zich kan vergissen. Ik ben de Dood.”
Kees glimlachte. Er werd nu ongetwijfeld een grap met hem uitgehaald. Hij keek naar buiten, maar er was niemand op straat.
“En ik nog wel denken dat mijn uitvaartverzekering een zwarte lijkwagen en drie volgauto’s vergoedde! Zonde van al die premie …” Hij probeerde luchtig te klinken. De man moest niet in de gaten krijgen dat hij wist dat hij er tussen genomen werd.
“U neemt het nogal grappig op,” onderbrak de man hem. “Wat is het toch jammer dat u zo weinig oog hebt voor details. Kijkt u eens naar buiten, meneer Buijsse.”
Er stonden gebouwen aan weerszijden van de weg, maar hij herkende ze niet. Er was niemand niemand op straat. De lucht was grijs, onheilspellend. Kees rilde. Hij probeerde tevergeefs de omgeving te herkennen en begon bang te worden. Hij keek opzij en zag dat de man hem dreigend aankeek. Een gek, ging het door hem heen. Hij merkte dat hij hijgde.
“Weest u niet bang, meneer Buijsse,” lachte de man plosteling, “ik kom u niet halen, zoals men dat pleegt te noemen. Ik heb niet tegen u gelogen, ik heb het goed met u voor. Ik heb u werkelijk nodig.”
Buiten scheen de zon door de wolken heen en de man naast hem was opeens de vriendelijkheid zelf. Hij klopte Kees geruststellend op de schouder.
“Hoe moet ik dat geloven?” vroeg die.
“Heel eenvoudig, door het te beleven. U bevindt zich nog altijd gewoon in uw eigen stad. Kijkt u maar.”
De man wees schuin voor hem langs en toen hij in die richting keek, zag Kees de toren van de Grote Kerk boven de gebouwen uit steken.
“Ik hoop, dat we nu ter zake kunnen komen,” zei de man. “Er is nog maar weinig tijd om u alles te vertellen wat u weten moet.”
Kees voelde dat de verwarring bezit van hem begon te nemen en probeerde krampachtig zijn gedachten bij elkaar te houden. In een uiterste poging tot nuchterheid woog hij de mogelijkheden en hun consequenties tegen elkaar af. Of de man was een fantast en een rare snijboon. In dat geval zou hem niets kunnen overkomen, zolang hij maar meewerkte. Wanneer het hem te gortig werd kon hij op een geschikt moment gewoon de benen nemen. Daarbij ging er van de man geen enkele dreiging uit, zodat Kees zich niet kon voorstellen dat hij agressief zou kunnen worden.
De andere mogelijkheid bleef moeilijk te geloven. Als hij nu werkelijk naast de Dood in de auto zat, die bovendien een klus voor hem had, kon hij maar beter niet te veel tegensputteren.
“Goed, meneer de Dood, steekt u maar van wal.”
Zijn metgezel beschreef hem het gebouw, waar de doden na hun overlijden werden afgeleverd en welke procedures bij die aflevering in acht moesten worden genomen.
“Denk er om dat de lichamen die gebracht worden ontzield zijn en dat ook moeten blijven. Het zal je opvallen dat alle lichamen puntgaaf zijn, ook al hebben ze de meest gruwelijke ongelukken ondergaan, of zijn ze op de operatietafel grondig uit elkaar gehaald. Ze staan als het ware te wachten om weer in gebruik genomen te worden. De zielen daarentegen worden elke ochtend apart afgeleverd in stalen cassettes. Het is van groot belang dat deze onmiddellijk achter slot en grendel worden opgeborgen en daar ook blijven. Wanneer ziel en lichaam bij elkaar komen, kunnen er de verschrikkelijkste dingen gebeuren. Dingen die je niet kunt overzien. Gevaarlijke dingen”
“Hoe komen die lichamen zo gaaf?” wilde Kees weten.
“Die zijn al geprepareerd voor de jongste dag. Ben je gelovig?”
Kees mompelde dat hij als kind iedere zondag twee maal naar de kerk moest.
“Dat is dan een meevaller. Ik zou mijn ogen maar goed de kost geven als ik jou was. Er is hier het een en ander waarmee je je voordeel kunt doen.”
“Wat gebeurt er eigenlijk met al die zielen?”
“Die blijven in hun cassettes tot de jongste dag. Dan worden ze weer de bezieling van de bijbehorende lichamen en worden die pakketten tenslotte geselecteerd voor hun eindbestemming…”
“De hemel of de hel!”
“Inderdaad. Zo staan ze hier bekend.”
“Bent u er al eens geweest?” Kees werd nu echt nieuwsgierig. Stel je voor dat hij er alvast een kijkje mocht nemen. Maar dat was vast te veel gevraagd.
“Er worden volop voorbereidingen getroffen, al is er nog niets definitiefs gebouwd. Het ziet er veelbelovend uit.”
Kees zag dat er een fijne glimlach krulde om de mond van de ander. Hij huiverde.
“Ik weet er weinig van hoor,” zei de man naast hem, “mijn taak gaat niet verder dan het eind van de tijd. Daarna zal er wel iets anders vrijkomen.”
Kees begon zich voor te stellen wat een enorm gebouwencomplex de ander onder zijn beheer moest hebben. Hoewel hij nog steeds niet wist wat er precies van hem werd verwacht, was hij bang dat zijn taak hem zeer snel boven het hoofd zou kunnen groeien.
“Hoe groot is de, opslagruimte eigenlijk?” vroeg hij.
“Daar zou ik me maar geen voorstelling van maken. Veel te groot voor je gedachten. Maar dat is niet belangrijk, want alles is geautomatiseerd. Je werkterrein zal zich beperken tot de controleruimte van het geheel. Wat administratieve handelingen en af en toe een praatje maken, als je daar tenminste zin in hebt.”
“Maar, hoe moet ik me dat voorstellen?”
“Dat kun je dadelijk met eigen ogen zien, want we zijn er.”
De auto stond stil voor een grote metalen loods, waarop met vaalwitte letters “O.E.de.T.” was geschilderd. Kees wilde vragen waar deze afkorting voor stond, maar de ander was hem voor.
“De afkorting staat voor Opslag Einde der Tijden. Je ziet dat de vlag de lading dekt.”
Het verwonderde Kees dat geen enkele inwoner van zijn stad ooit iets vreemds was opgevallen aan deze loods. De man was inmiddels uitgestapt en had een deur geopend. Kees opende het portier, stapte uit en volgde zijn tochtgenoot naar binnen. Het portaal leek wat op een lift, maar knoppen en cijfers ontbraken.
“Ik hoop, dat je er geen bezwaar tegen hebt om onder de grond te gaan,” zei de ander.
Kees mompelde dat dat waarschijnlijk onvermijdelijk was. De ruimte waarin ze zich bevonden bewoog geruisloos; eerst enige tijd omlaag, daarna in horizontale richting met af en toe een flauwe bocht. Zijn metgezel zweeg en keek met een nietszeggende blik voor zich uit. Hij leek tegelijkertijd diep in gedachten en volkomen afwqezig. Kees durfde hem niets te vragen. Het zou hem allemaal wel duidelijk worden.
Na enige tijd kwam de cabine tot stilstand. De deur werd geopend en Kees keek in een ruimte die volkomen donker was.
“Hier scheiden zich tijdelijk onze wegen,” zei de man. “We zien elkaar bij de uitgang. Tot dadelijk. Gaat uw gang.”
Kees aarzelde even, maar stapte toch de ruimte binnen. Onmiddellijk voelde hij een grote opluchting, als had hij de grootste stap van zijn leven gedaan. Hij wilde hardop lachen, maar iets in hem hield hem tegen. Niet te uitbundig, Kees, sprak hij zichzelf toe. Eerst precies weten waar je aan toe bent.
Voor hij de gelegenheid had om rond te kijken, ging er voor hem een schuifdeur open. Hij herkende zijn metgezel, die hem naar zich toe wenkte.
“Welkom in de controleruimte, meneer Buijsse! Hier is het commandocentrum van mijn rijk, zal ik maar zeggen.”
Verwonderd keek Kees om zich heen. De ruimte waarin zij zich bevonden was vierkant en hij schatte de afstand tussen de hoeken op vijftig meter. De wanden liepen de eerste vijf of zes meter recht omhoog, maar vertoonden op die hoogte een knik naar binnen. Ze kwamen bij elkaar in een punt dat zich tientallen meters boven zijn hoofd bevond, als in een piramide. In het midden van de ruimte bevond zich een gelijkvormige constructie, waarin allerlei beeld- en geluidapparatuur was geïnstalleerd. Een twintigtal mannen en vrouwen werkte geluidloos en met vloeiende bewegingen met de veelheid aan apparaten die zich in de constructie bleken te bevinden. Met open mond probeerde Kees te ontdekken hoe al die spullen waren weggewerkt. Met verbazing keek hij toe hoe een lade met daarin een toetsenbord als van een computer zich sloot en zich weer opende – en toen een aantal landkaarten bleek te bevatten. Juist toen Kees het van dichterbij wilde bekijken, omdat hij plotseling allerlei ideeën voor de inrichting van zijn hotel kreeg, tikte de ander hem op de schouder.
“Heb je gezien hoe laat het is?” vroeg zijn tochtgenoot.
Verstrooid keek Kees op zijn horloge.
“Vijf uur en een beetje. Hoezo?”
“Ik word om kwart voor zes afgehaald en ik moet je nog het een en ander uitleggen. Fraai uitzicht, nietwaar?”
Pas toen drong het tot Kees door dat er in iedere wand een groot venster was gemaakt. Voor hem leek een groot aquarium te zijn, met diepblauw water en af en toe een voorbijschietende school vissen. Links keek hij in een diepe kloof met aan weerskanten prachtig gelaagde rotswanden van roodbruin gesteente. Een hagedis schoot weg achter een kei.
Aan zijn rechterhand dreven wolken voorbij. In de verte trok een vliegtuig condensstrepen. Toen hij zich omdraaide, moest hij zijn ogen sluiten voor het felle licht.
“Sorry, meneer Buijsse. Ik vergat dat u hier nieuw bent,” zei de man en gaf hem een zonnebril.
“Deze vier ramen” vervolgde hij, “zijn mijn vensters op de wereld. Hier kan ik iedere gebeurtenis zien die nu op dit moment plaatsvindt en alles wat in het verleden is gebeurd. Noem het en je zult het zien.”
“Eens even denken. Het oude Egypte?” Het lag voor de hand. Hij zou die pas ontdekte farao wel in leven willen zien.
Door het venster waar hij zoëven nog de kloof had gezien, keek hij nu de woestijn in. Achter de sfinx zag hij een half afgebouwde piramide, die overdekt was door kleine bewegende figuurtjes. De figuren werden groter en hij naderde een man die van een afstand naar de werkzaamheden stond te kijken. Juist toen hij zijn gezicht zou zien, leide zijn metgezel hem af met de vraag of hij niet meer wilde zien.
“De Chinese muur?” stelde de man voor. Het beeld werd onmiddellijk vervangen door dat van een stenen slang in een heuvelachtig landschap, die door de werkzaamheden van duizenden kleine gestalten steeds langer werd. Achtereenvolgens schoven de voorstellen van zijn reisgenoot hem de Rivièra, Lapland en het Westafrikaanse oerwoud voor ogen.
“Je ziet dat het werkt, Kees. Ook jouw gedachten worden gehoorzaamd. En nu komen we bij het belangrijkste.”
De ander nam Kees mee naar de constructie in het midden van de zaal. Van achter een wegschuivend luikje kwam een beeldscherm tevoorschijn en ter hoogte van zijn handen schoof een lade open. Ook hierin bevond zich een soort scherm met toetsen, die op het gladde oppervlak leken te liggen.
“Dit is de toegang tot de opslag. Alle gegevens over de hier opgeslagen doden zijn hier aanwezig. Geboorte, levensloop, carrière, vreemde gewoonten, je noemt het maar. Het zit er allemaal in.”
“Dus als ik zou willen weten hoe mijn grootvader is gestorven, vind ik dat hier,” stelde Kees vast.
“Inderdaad. Laten we eens kijken.”
De man joeg door de indexen alsof zijn laatste uur was aangebroken. Hij moest nu echt haast hebben. Kees keek op zijn horloge: tien over half zes. Hij had inderdaad weinig tijd meer. De tijd leek hier voorbij te vliegen. Opeens verscheen het gezicht van een man op het beeldscherm. Kees verwonderde zich, omdat hij, ook na enige tijd het gezicht bekeken te hebben, niet kon vaststellen of de man er nu jong of oud uitzag. Het was zonder twijfel zijn grootvader, maar het leek of zijn uiterlijke kenmerken voortdurend in elkaar overgingen. Hij was tegelijkertijd uitgerust met snor en baard, zoals tijdens grote delen van zijn leven, als volkomen kaal, zoals vlak voor zijn dood.
“Vergiftigd met arsenicum,” zei de man droog. Kees vloekte.
De ander keek hem verwijtend aan.
“Hoewel ik de opdracht heb om in die dingen strikt neutraal te blijven, hoor ik dergelijke taal hier liever niet.”
Kees zon inmiddels op een manier om het zijn grootmoeder, die nog altijd, nu dichter bij de honderd dan bij de negentig, het voorouderlijk landhuis bewoonde, betaald te zetten.
“Ik zal je nog even laten zien hoe je met hem kunt praten,” zei de ander. Hij bewoog zijn hand over het scherm waar Kees’ grootvader te zien was en schoof Kees naar voren.
“Ha Kees, jongen van me! Jou heb ik lang niet gezien!”
“Dat sekreet heeft je vergiftigd, opa. We hebben nog geen cent gezien, ze zit alles zelf op te maken.”
“Je moet je schamen, zo over je grootmoeder te praten! Zo’n goed mens als zij is zeldzaam in de wereld. Je zou …”
“Maar opa, je bent dood! Wat weet jij daar nu van!”
“Wat ben jij toch een eigenwijs kereltje geworden. Ik zal er eens met je vader over spreken.”
“Maar die is ook al …”

Zijn metgezel schoof Kees opzij en bewoog zijn hand weer over het scherm, dat onmiddellijk zwart werd.
“Ik zal je verdere pijnlijkheden besparen. De doden denken dat ze nog leven en hebben geen enkele herinnering aan hun dood. Van wat er daarna is gebeurd weten ze uiteraard ook niets. Dat moet ook zo blijven. Over het algemeen zijn hun levens trouwens veel interessanter.”
“Ik begrijp het. Hier kan geen vlieg kwaad doen. Ik vraag me af waarom er hier iemand aanwezig moet zijn. En helemaal waarom ik die iemand ben. Bovendien, wie paste er hier op toen u mij haalde?”
“Dat is nogal eenvoudig. Vanwege het, speciale karakter van deze plaats zal ik maar zeggen, is het personeel zonder wil of eigen initiatief. Alles wat je hen opdraagt, voeren ze uit, voor zover het in hun vermogen ligt natuurlijk. Het probleem is alleen dat niet alle mogelijke situaties van tevoren te voorspellen zijn. Daarom kunnen wij ons personeel helaas niet op alles voorbereiden. Een onvoorziene gebeurtenis zal hen onvermijdelijk tot stilstand doen komen, met als gevolg niet afgehandeld werk, vol rakende opslagruimten en uiteindelijk het niet meer kunnen sterven van mensen. Je zult begrijpen hoe dat het leven zou ontwrichten. Het is daarom van het allergrootste belang dat de administratie blijft kloppen. Het enige stille uurtje van de dag is tussen vier en vijf. Precies genoeg tijd om je te halen.”
“Ik begrijp nog steeds niet waarom ik hiervoor ben uitgekozen.”
“Dat kan ik je nu wel vertellen. Het is een kwestie van, voorspraak, laten we maar zeggen.”
“Ik begrijp het niet.”
“Het is niet zo ingewikkeld. Je hebt ooit drie Poolse vrachtwagenchauffeurs in je hotel ondergebracht, die midden in de nacht aanbelden.”
“Ja, de Polen…”
“Ze waren erg blij dat je hen het nodige van de Nederlandse taal hebt bijgebracht. Zij hebben je bij mij aanbevolen.”
“Ik vond het al vreemd dat er geen enkele aanduiding op hun vrachtwagen te zien was.”
“Alles dient discreet en efficiënt te gebeuren. Dat verwacht ik hier ook van jou.”
“Maar de Polen komen dit jaar niet. Mijn vrouw…”
“Dat klopt, dat was ik bijna vergeten. We staan voor een sterke uitbreiding van onze organisatie, het aantal vestigingen wordt sterk vergroot. We hebben onze ervaren krachten opnieuw moeten verdelen over de locaties. Dat geldt ook voor hen. Ze zullen je hotel niet meer bezoeken. Maar er komen anderen. Je zult het zien.”
“Maar, als het hier toch fout gaat, wat moet ik daar dan aan doen?”
“Dat is nu precies de reden waarom ik jou voor deze klus heb uitgekozen. Doe maar net alsof dit je hotel is en je zult zien dat het allemaal vanzelf gaat.”
Eindelijk begon de eenvoud van het hem gevraagde tot Kees door te dringen. Een hotel, natuurlijk. Het was zo simpel als wat. Personeel was in ruime mate voorhanden en naar hun bewegingen te oordelen voerden zijn helpers hun taken snel en soepel uit.
“Ik moet nu echt gaan,” onderbrak de ander Kees’ gedachten. “Denk er goed om: onze eerste en enige regel is dat de administratie moet blijven kloppen. Blijf kalm en doe je best. Gegroet.”
De ander verliet de ruimte via dezelfde deur als die waardoor Kees haar was binnengekomen. Toen de stalen deuren zich achter hem hadden gesloten, bedacht Kees dat ze het honorarium nog niet hadden besproken. Vrijwel meteen gleed deze gedachte van hem af. Het was niet belangrijk, zijn broodheer zou niet gierig zijn. Kees voelde zich uitstekend. Het leek of het leven hem de laatste uren een stuk gemakkelijker afging.
De grote schermen trokken weer zijn aandacht. Nu hij het kunstje onder de knie had, vloog hij in een oogwenk door de wereldgeschiedenis. De veldtochten van zijn jeugdheld Alexander de Grote maakte hij van nabij mee, zijn ooggetuigenis van diens dood bracht hem tot tranen. De moord op Caesar en de orgiën van Caligula brachten hem van afgrijzen naar walging. Hannibal en Scipio, Aetius en Attila, Vortigern en Ambrosius, hij was hun vertrouweling, hun wapenbroeder, hun raadsman, hun kroniekschrijver, hun vriend. Hun woorden, hun blikken en hun gebaren brachten hem langzamerhand in een roes van almacht en onsterfelijkheid. De wereld lachte hem waarachtig toe en hij lachte terug met een luide gulle lach.
Op dat moment vroeg hij zich af waar zijn metgezel zich zou bevinden en onmiddellijk werden alle vier schermen zwart. De mannen en vrouwen in de controleruimte bevroren in de handeling die ze uitvoerden en keken hem met lege ogen aan. Een ogenblik gebeurde er helemaal niets en was het doodstil. Van zijn hoge oppermacht viel Kees in de afgrond van de besluiteloosheid. Daar was het zover. De Dood had niets teveel gezegd, het goed geoliede raderwerk stokte.
Kees liep naar de controlepiramide en drukte lukraak op een paar toetsen. Een lade met een toetsenbord schoof zich naar hem uit, een beeldscherm ontmaskerde zich. Aan het licht dat de ruimte plotseling vulde, leidde Kees af dat het venster op de wereld weer hersteld was. Toen hij om zich heen keek, zag hij dat alle medewerkers hun taak weer hadden opgepakt.
Met zijn rechtermouw veegde hij het zweet van zijn voorhoofd. Het drong nu pas tot hem door dat hij hijgde. Hij was geschrokken en moest aan zichzelf toegeven dat de gebeurtenis van daarnet hem uit zijn evenwicht had gebracht. Hij kon zich wel voor zijn kop slaan. Een waas van almacht, een moment van roes, een ogenblik van onoplettendheid, bijna was het spel uit geweest. Hij moest nadenken. Dit karwei verdiende een serieuze aanpak.
Een geluidssignaal trok zijn aandacht naar het controlepaneel. Op het beeldscherm werd een viertal gezichten getoond met erbij de namen en andere persoonlijke gegevens. Onwillekeurig drukte Kees op een toets van het bijbehorende toetsenbord en zag dat er vier nieuwe gezichten op het scherm verschenen. Pas nadat drie maal een viertal nieuwe gezichten het scherm bevolkt had, realiseerde Kees zich dat hij was doorgedrongen tot het zenuwcentrum van het complex – de administratie van lichamen en zielen.
Hij bekeek het scherm aandachtig, probeerde enkele toetsen en stelde toen tevreden vast dat hij het systeem onder controle had. Een tijdlang dacht hij na, tot een glimlach op zijn gezicht, die zich verbreedde tot een grijns, de aankondiging vormde van een fantastische inval. Voorzichtigheid was nu geboden, wilde hij niet nog eens met onnadenkendheid zijn hand overspelen. Zijn vingers bewogen zich nu met de soepelheid en accuratesse van tientallen jaren ervaring. Ogenblikken later keek een bekend en geliefd gezicht hem van het beeldscherm aan. Hij zag verbaasde en zorgelijke ogen.
“Kees, ben jij dat jongen?” De vrolijke, wat hese stem waarmee ze hem vaak terechtwees.
“Dag moeder. Ik ben het hoor. Ik kom je halen.” Hij probeerde zo kalm mogelijk te klinken. Ze moest niet ongerust worden.
“O, maar er is al een meneer geweest. Een keurige heer, werkelijk waar. Hij heeft …”
“Geeft niet, moeder, hij weet ervan. Als ik dit werkje klaar heb, zie ik je.” Ze keek hem niet-begrijpend aan en even leek ze te willen tegensputteren. Kees zweeg en zag haar gezicht weer in vriendelijke plooien tot rust komen.
“Dat is fijn, jongen. Ik zie er echt naar uit. Je moet niet zo hard werken hoor, we zien je veel te weinig .”
“Tot later, moeder. Ik ben zo klaar.”
Omzichtig maar beslist ging hij nu te werk. Wat een prachtige verrassing voor als hij dit klusje geklaard had. Als hij het goed aanpakte, zou niemand merken dat zijn moeder de opslagplaats voortijdig verliet. De administratie zou blijven kloppen. Een ziel eruit en een lichaam eruit, de totalen bleven gelijk. Geen haan die er naar zou kraaien.
Een melding op het scherm bewees dat de ziel van moeder gereed stond om belichaamd te worden. Snel ging hij over naar het kiezen van een geschikt lichaam. Dat zijn moeder zou terugkeren in haar eigen lichaam was uitgesloten: veel te veel mensen zouden haar herkennen, ze zou alleen maar opschudding veroorzaken. Nee, hij had een veel beter idee. Zijn moeder zou als een leuke jonge vrouw op aarde terugkeren en alleen haar zoon zou haar herkennen.
Op het toetsenbord bevestigde hij zijn keuze voor het lichaam van een aardige brunette en de vleeswording van zijn moeder’s ziel. De cassette van haar ziel was nu leeg, ergens in de enorme opslagplaats stond een stalen koker klaar om naar de oppervlakte gebracht te worden.
Hij controleerde het aanvoerschema en bekeek het nog eens om absoluut zeker te zijn. Over tien minuten zou het volgende transport aankomen. Hij wist niet of dat voldoende tijd was, maar hij had geen keus. Met trillende vingers zette hij de verplaatsing van de koker in gang. Op het beeldscherm kon hij de beweging van het voorwerp door het immense labyrint goed volgen. Hij voelde hoe zijn keel werd dichtgeknepen en hoe zijn maag zich samentrok, terwijl zijn moeder steeds dichter bij de uitgang kwam. De minuten die verstreken stonden in geen verhouding tot de uren die voorbij leken te gaan. Na drie minuten en drieënveertig seconden begon de nu lege stalen koker aan zijn terugweg naar de voor hem geselecteerde plaats. Zevenentwintig seconden later sloten de deuren van het gebouw zich achter een jonge vrouw, die nog wat onwennig en de ogen dichtknijpend tegen het zonlicht op weg ging naar het stadscentrum. Kees kon weer ademhalen.
Hij moest zichzelf in bedwang houden en zijn gedachten met kracht terugdringen: hoe graag zou hij door het raam getuige zijn van de eerste voetstappen van zijn moeder in dit nieuwe leven!
De Geschiedenis bood hem uitkomst. Terwijl hij op het dichtstbijzijnde raam getuige was van een aantal beroemde en zeer bloedige veldslagen, slaagde hij erin om zijn emoties onder controle te krijgen. Voorzichtig begon hij plannen te maken voor wanneer hij zijn opdracht zou hebben afgerond. De gedachte aan de forse beloning die hem in het vooruitzicht was gesteld, maakte hem bovendien enigszins hebberig. Een mooie nieuwe auto, een zeiljacht, een reis naar de Pacific. Hij zou het hotel verkopen en een mooi huis op een tropisch eiland kopen, waar zijn moeder zou kunnen wonen en hij zo vaak op bezoek zou kunnen gaan als hij zelf wilde.
Achter zich hoorde hij een geluid en toen hij omkeek zag hij de stalen liftdeur zich openen. Zijn opdrachtgever stapte uit de lift. Hij liep meteen naar Kees toe en stak zijn hand naar hem uit. Kees voelde het bloed uit zijn gezicht wegtrekken.
“Alles ziet er goed uit, Kees. Nog bijzonderheden?”
“Nee, niets bijzonders” antwoordde Kees, terwijl hij de ander de hand schudde. Hij voelde dat hij hevig zweette en hij kon nauwelijks op zijn benen blijven staan. De ander moest wel merken dat er iets aan de hand was. Hij deed zijn best om zo gewoon mogelijk te klinken.
“Het is allemaal zo vlug gegaan, het lijkt wel alsof er hier geen tijd bestaat.”
De man glimlachte fijntjes.
“Ik neem aan dat je je kennis van de wereldgeschiedenis met wat beelden hebt verluchtigd.”
“Zeker, het is nu net of ik er bij was.”
De ander keek de ruimte rond en leek tevreden met wat hij zag.
“Als alles hier naar wens geregeld is,“begon Kees, “zou ik graag naar huis gaan. En ik zou graag het geld krijgen. Ik weet dat we het daar nog niet over gehad hebben, maar ik zou zeggen vijf miljoen gulden. Je zat tenminste aardig omhoog en ik heb je er toch maar mooi uit gered. Ik zeg vijf miljoen. Minstens. Je mag ook meer geven als je tevreden bent. Geld speelt voor jou immers geen rol.”

Hij had het gezegd en dat luchtte hem op. Vijf miljoen. Dat was een mooi bedrag. Veel geld, dat wel, maar hij had er recht op. Hij keek zijn metgezel verwachtingsvol aan, maar diens blik bleef ondoorgrondelijk.
“Ik ben hier nu toch klaar?” begon Kees weer, maar de man legde hem met een handgebaar het zwijgen op.
“Kijk eens Kees, je hebt hier dingen gezien die geen andere sterveling heeft gezien. Los van het feit dat je nu te veel weet om ongevaarlijk te zijn voor de goede voortgang van mijn werkzaamheden, zou het ook niet eerlijk zijn tegenover je lotgenoten. Maar bovenal, er is nu een plek leeg. De administratie klopt niet meer en als ze daar achter komen ben ik mijn baan kwijt. Om maar niet te spreken van de andere gevolgen.”
“Een plek leeg? Hoe kom je daar nu bij?! Alles klopt precies! Tel de zielen en de lichamen maar na. Precies gelijk. Je zult het zien.” Hij sprak met de stem van iemand die wist dat hij niet weerlegd kon worden.
“Er is een plek leeg en dat weet je net zo goed als ik.” De Dood keek hem streng aan. “Er ontbreekt een ziel en een lichaam. Die totalen zijn precies gelijk. Maar er is een plaats leeg. Dat totaal klopt nu niet meer. Dat is ernstig. Heel ernstig. De totalen moeten altijd kloppen. Dat weet je heel goed. Daarom is die lege plaats nu voor jou.”
“Maar u kunt me toch niet zomaar laten verdwijnen?!”
“Nee, dat is een feit. Ik houd er ook van om alles netjes af te wikkelen. Daarom heb ik mijn voorzorgsmaatregelen getroffen. Kijk maar eens mee.”
Door het dichtstbijzijnde raam keken ze naar de balie van Kees’ hotel. Terwijl een donkergeklede gestalte door de draaideur naar buiten liep, zakte Kees achter het buffet in elkaar. Het vervolg trok als een film aan Kees voorbij: zijn vrouw die hem vond en een ambulance belde, het ambulancepersoneel dat hem per brancard wegbracht en uiteindelijk een ziekenhuiszaaltje, waar zijn vrouw en Albert bij het bed zaten waarin hij, aangesloten op infuus en monitor, in leven werd gehouden.
“Je bent een bevoorrecht mens, Kees,” zei de Dood. Evenmin als er ooit iemand heeft gezien wat jij hier allemaal gezien hebt, is er ooit een mens zo bij zijn eigen sterfbed aanwezig geweest.”
“Je had me daar gewoon kunnen laten bijkomen,” gromde Kees bitter.
“Dat geef ik toe, maar ik vond het veiliger om je ziel maar meteen mee te nemen hier naartoe. Toen je uit de lift deze ruimte instapte, was je hem al kwijt. Ik heb je al uitgelegd dat ik geen keus heb. Ook ik ben verantwoording schuldig, zie je.”
Ze zagen in het raam dat er inmiddels een aardig uitziende brunette in de deuropening van de ziekenzaal was verschenen. Het was duidelijk dat ze in tweestrijd was. Met een zacht kuchje probeerde ze haar aanwezigheid kenbaar te maken.
Kees zag zijn vrouw opkijken. Op haar gezicht vochten verwondering en achterdocht om voorrang.
“Kijk, ze heeft je gevonden. Wat is het moederinstinct toch een mooie eigenschap,” zei de Dood. “Alleen jammer dat niemand haar herkent.”
Met afgrijzen zag Kees dat zijn vrouw een blik vol jaloezie en wrok wierp naar zijn moeder, als was zij een mededingster.
“Ik zal het niet nòg moeilijker voor je maken, Kees,” zei de Dood en pakte Kees bij de arm. “Voor de volgauto’s is gezorgd. Kom je mee?”
Even weifelde Kees, maar toen rukte hij zich met een woest gebaar los uit de greep van de Dood. Dit kon niets anders zijn dan een nachtmerrie. Hij wilde naar de deur vluchten, maar hij was alleen. Behalve de gladde metalen wanden om hem heen was er niets te zien.

© HSP Bitter

sharebookmarx H.S.P. Bitter   O.E.de.T.

Posted by H.S.P. Bitter at 27 March 2008

Category: Proza

Tags: , , , ,

Wanneer het was begonnen, wist hij niet. Zo lang Jonathan zich kon herinneren, werd hij wakker wanneer de zon opkwam en ging hij slapen bij zonsondergang. Ook in het dorp werd deze regelmaat als vanzelfsprekend beschouwd, en als er al eens iemand zijn wenkbrauwen om gefronst had, was dat Jonathan ontgaan.
Het aanbreken van het nieuwe jaar zou de inwoners van het dorp nog lang heugen. Een paar lolbroeken hadden besloten dat het voor Jonathan de hoogste tijd was om een vrouw te kiezen. Dit was nogal plotseling, want Jonathan was de veertig al enige jaren voordien gepasseerd en noch daarvoor, noch daarna hadden zijn dorpsgenoten zich geroepen gevoeld om de molenaarsknecht tot een huwelijk over te halen. Ook Jonathan zelf had nog nimmer een gedachte, laat staan een woord aan de huwelijkse staat gewijd.
Dit paste echter uitstekend in het plan van de jonge mannen, omdat zij zich daardoor genoodzaakt voelden om Jonathan dronken te voeren. Ook die toestand was ondenkbaar voor hun dorpsgenoot, die zich zelden in de dorpskroeg vertoonde en het bij die gelegenheden bij ten hoogste één glas bier hield.
Het plan was dan ook zeker op een grote mislukking uitgelopen als de raddraaiers in Margarethe, de dochter van de burgemeester, geen onverwachte en zeer doeltreffende bondgenote hadden gekregen. Het eenentwintigjarige meisje, dat de steelse blikken die zij al enige maanden op de molenaarsknecht wierp, voor iedereen had weten te verbergen, flirtte met Jonathan dat het een aard had en goot hem ondertussen vol met het ene glas pruimenjenever na het andere. Haar behandeling had succes: na het ontsteken van het nieuwjaarsvuur wierp Jonathan zijn muts met een sierlijke zwaai in de vlammen en begon met het meisje een woeste dans over het dorpsplein. De bevolking vormde een grote kring om het paar en zweepte hen op met handgeklap en gejoel. Iemand riep Jonathan toe het meisje te zoenen en deze kreet werd al snel door vele toeschouwers overgenomen. De molenaarsknecht tilde Margarethe hoog op, draaide een paar maal om zijn as en zakte toen als een blok in elkaar.
Door de molenaar en de veldwachter werd hij naar huis gedragen en in bed gestopt. De dorpsbewoners zetten het feest voort tot diep in de nacht.
Toen de eerste feestvierders wakker werden, was het nog donker. Ze draaiden zich nog eens om en sliepen weer in. Maar de zon was nog steeds niet opgekomen toen de burgemeester, de meest notoire langslaper van het dorp, de ogen opende. Wel was hij voor zijn doen aan de vroege kant, maar dat kwam doordat enkele ongeruste dorpsgenoten onder zijn raam stonden te roepen.
“Hoe laat is het?!” klonk het.
“De tijd! De tijd!”
In het dorp stond hier en daar een zonnewijzer en alleen de burgemeester bezat een zilveren zakhorloge.
De burgemeester was verward door de duisternis en het kostte hem enige tijd om een lamp aan te steken. Hij opende het deksel van het horloge en zag dat het kwart voor elf moest zijn. Even dacht hij dat het uurwerk de vorige avond was blijven stilstaan, maar toen hij nog eens keek zag hij dat de grote wijzer zich had bewogen. Hij haastte zich naar het raam, opende het en riep:
“Het is bij elven!”
Pas toen drong het tot hem door dat er iets volstrekt niet in orde was.
De dorpsbewoners waren dichtbij paniek. De dominee, die wakker was geworden van het geschreeuw bij het burgemeestershuis, liet de koster de kerkklok luiden. Hier en daar gingen ramen open, buren begonnen op luide toon de merkwaardige situatie te bespreken. Tot ieders verbazing kwam de zon op. Even later stak ook Jonathan zijn slaperige hoofd met warrige haardos naar buiten.
Omdat hij zich nog nooit verslapen had, was hij bijna te verbaasd om zich te schamen. Geen raad wetend met zijn houding liep hij naar de molen om daar de draad van de normale dagelijkse dingen weer op te nemen. Gelukkig was er een stevige bries opgestoken, zodat de molenaar en zijn knecht handen tekort kwamen.
Die dag bleef het nog lang licht. Het was de burgemeester die zich ‘s avonds ongemakkelijk begon te voelen en in de molen poolshoogte ging nemen. Daar trof hij de molenaar en Jonathan hard aan het werk, alsof ze van tijd geen enkel benul hadden.
“Waarom zijn jullie nog steeds aan het werk?” vroeg hij.
“Een molenaar werkt zolang het genoeg waait en hij met zijn ogen nog kan zien wat zijn handen doen” antwoordde de molenaar droog. Jonathan sprak niet, maar knikte instemmend.
“Weten jullie wel hoe laat het is?!” vroeg de burgemeester.
Ze schudden beiden het hoofd. De burgemeester liet hen zijn horloge zien, waarop de wijzers inmiddels ruim elf uur aanwezen. De molenaar en zijn knecht keken elkaar niet-begrijpend aan en lieten de armen slap langs het lichaam hangen.
“Ik zou maar eens naar huis gaan,” zei de burgemeester. Jonathan zette zijn pet op en begon zwijgend de thuisreis, de molenaar liep hoofdschuddend de molen uit.
Op het dorpsplein zag de burgemeester een groepje kinderen spelen.
“Willen jullie wel eens maken dat je thuis komt!” riep hij ze toe en met een paar woeste zwaaien met zijn stok joeg hij ze naar huis.
De volgende dag was een wonderlijk korte dag: de zon kwam pas even na tienen op en ging om precies half vijf weer onder. De dag daarop duurde van ‘s ochtends zes tot ‘s avonds elf, de dag daarop van ‘s ochtends drie tot ‘s ochtends tien. Na twee relatief normale dagen bleef het een dag volledig donker, om vervolgens plaats te maken voor vijftig uur ononderbroken zonlicht. Tegen die tijd was het gehele dorp volkomen ontregeld. De meeste mensen hadden een chronisch slaaptekort opgelopen, de koeien leden aan verstoppingen en de kippen waren van de leg. Het ergst leek Jonathan er aan toe. Behalve het feit dat zijn tot voor kort regelmatige bestaan volledig overhoop geraakt was en hij in de molen een aantal zeer lange dagen had gemaakt, was hij ook geestelijk geheel de kluts kwijt. Kinderen riepen hem na dat alles zijn schuld was en in zijn hart voelde hij dat ze gelijk hadden. Hij vervloekte het ogenblik dat zijn aandacht was uitgegaan naar de pruimenjenever en de burgemeestersdochter. Hij had zich heilig voorgenomen om geen voet meer te zetten in de dorpskroeg en iedere keer dat hij een vrouw tegenkwam wendde hij zijn hoofd af.
Niet lang daarna kreeg de burgemeester bezoek van de schoolmeester. De duisternis was tegen zeven uur plotseling ingevallen en daarom had hij een kandelaar op zijn werktafel gezet.
“Ik heb zitten nadenken over de tijd” begon hij.
De burgemeester bromde wat en keek niet op.
“Ik geloof dat ik een oplossing heb voor het gebrek aan regelmaat in het dorp,” ging de schoolmeester aarzelend verder. “Met behulp van een pomp, een paar emmers, wat buizen en een hoeveelheid water kan ik een apparaat bouwen waarmee na verloop van een aantal uren een bel wordt geluid.”
De burgemeester keek hem vragend aan.
“Deze bel wekt de koster, die vervolgens op zijn beurt door het luiden van de kerkklok de dorpsbewoners wakker kan maken.”
“U hebt er zeker over nagedacht” zei de burgemeester. “Ik kan uw creativiteit waarderen en uw werklust vormt een voorbeeld voor uw leerlingen.”
“Maar” ging hij verder, “hebt u ook bedacht dat het probleem niet zozeer is dat men niet op tijd opstaat, maar juist dat het daglicht, dat iedereen nodig heeft, op de bekende uren niet altijd beschikbaar is.”
“Onderzoekt u toch vooral wat de oorzaak is van het merkwaardige gedrag van onze zon” drong hij aan. “Ik hoop van harte dat uw werk onze gemeenschap verder brengt.”
Hij keek weer naar zijn papieren en wenkte met zijn rechterhand, bedoelend dat het onderhoud ten einde was. De schoolmeester mompelde een groet en verliet de kamer.
Nadat hij van de schoolmeester afscheid genomen had, liet hij zijn dochter hem een kan bier brengen en onderhield hij haar vervolgens duchtig over haar gedrag op het nieuwjaarsfeest.
De schoolmeester voelde zich afgescheept en was daarom in een niet al te best humeur toen hij over het dorpsplein terugliep naar huis. Toen hij over iets struikelde, was zijn eerste reaktie de beslissing om gewoon door te lopen. In het gemompel dat opklonk meende hij echter een hem bekende stem te horen. Hij draaide zich om en herkende in het schemerlicht de gestalte van Jonathan, die languit op zijn rug op de stenen lag. De schoolmeester bukte zich en schudde hem bij zijn schouder. Terwijl het om hen heen steeds lichter werd, opende Jonathan langzaam de ogen en vroeg toen waar hij was. In verwarring holde hij naar zijn huis en liet Jonathan op de keien achter.
Thuis was het al weer donker, zodat hij concludeerde dat Jonathan weer ingeslapen was. De schoolmeestersvrouw had niets gemerkt en uitte alleen wat onverstaanbare klanken toen haar man haar met zijn koude voeten raakte.
De volgende ochtend bereikte de schoolmeester tegelijk met de veldwachter de voordeur van de burgemeesterswoning.
“U bent er vroeg bij, meester!” zei de veldwachter.
De schoolmeester verhaalde hem de gebeurtenissen van de vorige avond, die hem naar het burgemeestershuis hadden gevoerd.
De veldwachter bleek tijdens zijn nachtelijke ronde eveneens op de slapende Jonathan te zijn gestuit. Het feit dat het licht was tijdens het halve uur dat hij de molenaarsknecht op diens tocht naar huis had vergezeld, had hem aan het denken gezet. Tijdens een kort onderhoud bij kaarslicht met de burgemeester bleek de laatste snel overtuigd van de noodzaak om alle notabelen voor spoedberaad bijeen te roepen. Een uur later waren alle stoelen rond de grote tafel in de raadskamer bezet: naast de burgemeester, de veldwachter en de schoolmeester waren ook de dominee en de rijke ongetrouwde tante van de burgemeester, die onder de dorpelingen bekend stond als de Dame, present. De Dame had haar bijnaam gekregen omdat ze altijd vanuit haar draagkoets minzaam naar de voorbijgangers placht te zwaaien. Met de producten uit haar kruidentuin maakte ze poedertjes en smeerseltjes, die tegen allerlei kwalen baat boden en die daarom gretig aftrek vonden onder de dorpsbewoners. Nadat achtereenvolgens de schoolmeester en de veldwachter hun relaas hadden gedaan, concludeerde de raad eensgezind dat de merkwaardige afwiseling van licht en donker te wijten was aan het gedrag van Jonathan de molenaarsknecht. Over wat er ondernomen moest worden om dag en nacht weer in goede regelmaat te brengen, verschilden de raadsleden echter van mening.
“Jonathan moet zo snel mogelijk in het huwelijk treden,” vond de dominee en glimlachte, terwijl hij dit zei, minzaam naar de burgemeester.
“Hij zal ook zeker een regelmatiger leven gaan leiden wanneer hij bij de molenaar en diens gezin intrekt” meende deze op zijn beurt. De veldwachter bood aan:
“Ik kan Jonathan tot hulpagent opleiden, mits het dorpsbestuur de hiervoor benodigde financiële middelen wil garanderen.”
Ook de schoolmeester wilde niet achterblijven: “Wij kunnen hem een wekkerklok schenken: een grote wekker met bellen, zoals ik die in de stad bij een klokkenmaker heb gezien.”
Toen het daarop stil bleef, terwijl iedereen verwachtte dat nu de Dame een duit in het zakje zou doen, werden ieders ogen gericht op de bejaarde vrouw, die wat kromgebogen in haar stoel zat en peinzend voor zich keek.
Na enige tijd sprak ze bedachtzaam:
“Iedereen heeft zich tot nu toe alleen had beziggehouden met het feit dat Jonathan niet op tijd opstaat. Ik had van u ook niet anders verwacht. Het feit dat hij niet op tijd in slaap raakt vormt mijns inziens echter een tenminste even groot probleem. Ik stel voor om op kosten van het dorpsbestuur een slaapmiddel te betrekken van een apotheker in de stad. Wanneer de schoolmeester het wateruurwerk bouwt waarover ik gehoord heb en dit met behulp van het zakhorloge van mijn neef kan ijken, stelt dit de koster in staat om Jonathan op een nader te bepalen tijdstip te wekken.”
De burgemeester wilde hierop antwoorden, maar de Dame was nog niet klaar.
“Voor de zondagen doe ik een beroep op de veldwachter. Zelf zal ik er voor zorgdragen dat Jonathan iedere avond op de juiste tijd zijn slaapmiddel krijgt toegediend.”
Dit voorstel werd uiteindelijk aanvaard, maar eerst nadat de dominee van de veldwachter de toezegging wist te krijgen dat die Jonathan, die even weinig in de kerk verscheen als in de kroeg, op de zondagochtend naar de kerkdienst zou meenemen.
Uiteraard werd ook Jonathan zelf niet vergeten. Na afloop van de raadsvergadering zochten de veldwachter en de schoolmeester hem in de molen op. Nadat ze hem hadden geconfronteerd met zijn gedrag en de weerslag die dat had op licht en donker, keek hij hen niet-begrijpend aan.
“Ik ben immers mijn leven lang bij het ochtendkrieken opgestaan en bij de avondval gaan slapen?”
De molenaar viel hem bij:
“Hoe verklaart u dan dat het op Oudejaarsavond al lang donker was, terwijl Jonathan nog volop meedeed aan het feest?!”
Hiertegen kon de schoolmeester weinig inbrengen. Hij hield echter vol:
“Ondanks de situatie die wellicht jaren bestaan heeft leert de werkelijkheid ons dat er alleen daglicht is wanneer Jonathan niet slaapt.”
Nogmaals vertolkte hij het besluit van de raad en uiteindelijk legde Jonathan zich daarbij neer. Hoewel hij met betrekking tot het gebruik van het slaapmiddel nog zijn twijfels had, gaf hij tenslotte ook hiervoor zijn toestemming. Opgelucht keerden de veldwachter en de schoolmeester terug naar huis.
De voorbereidingen voor de aldus afgesproken regeling namen ruim een week in beslag; een week die voor vele dorpelingen een van de ergste beproevingen van hun leven betekende. De zon ging grilliger op en onder dan tevoren, de duisternis kon van het ene ogenblik op het andere invallen. Wagens raakten hierdoor plotseling in greppels en mensen vielen van de trap. Kinderen waren bang om naar school te gaan omdat ze onderweg door het donker konden worden overvallen.
Eindelijk kon het plan van de raad worden uitgevoerd. Hoewel het wateruurwerk van de schoolmeester gedurende de eerste dagen nog wat onregelmatig liep, was deze periode voor het dorp een ongekende oase van geregeld leven. Iedereen kreeg weer voldoende slaap, er gebeurden geen ongelukken meer en ook de kinderen dachten weer nergens over na.
Na twee weken waren alleen de leden van de raad zich bewust van het kunstmatig onderhouden evenwicht, en weer een week later waren ook hun nieuwe bezigheden als gewoonte ingesleten. In de dorpskroeg werden de eerste grappen over de donkere dagen na Nieuwjaar verteld. Toen het gesneeuwd had op een ochtend, bouwden de kinderen op het dorpsplein een sneeuwpop die opvallend veel gelijkenis vertoonde met Jonathan de molenaarsknecht.
Enige dagen later kwam de eerste kink in de kabel. Het had die nacht gevroren dat het kraakte en daardoor was het uurwerk van de schoolmeester onklaar geraakt. De schoolmeester, die zelf weer enige regelmaat in zijn slaapgewoonten had opgedaan, kwam er achter toen hij uit nieuwsgierigheid een blik wierp in de schuur waar zijn geesteskind zijn wereld in evenwicht hield. Juist toen hij zijn kandelaar ophief om alles goed te kunnen zien, viel een ijspegel van het hoogste punt van het uurwerk op de houten vloer en spatte daar met veel lawaai uiteen.
Het aanleggen van een houtvuur in de schuur loste het probleem op, maar het duurde wel enige dagen voor het uurwerk weer de juiste loopsnelheid had. Hierbij raakte het zakhorloge van de burgemeester eenmaal te water, wat aanleiding gaf tot een onverkwikkelijke ruzie tussen de burgemeester en de schoolmeester. De woordenwisseling was op straat duidelijk te volgen en zette het zedelijke gedrag van de burgervader en zijn familie in een twijfelachtig daglicht.
Met de verhevigde winter deed ook de griep zijn intrede. Eén van de eerste ziektegevallen was de Dame, zodat haar achternichtje Margarethe belast werd met de taak om Jonathan zijn slaapmiddel te brengen. Dit tot groot ongenoegen van Margarethe’s vader, maar ook op haar ziekbed was de Dame niet in de stemming voor enige tegenspraak. Op een zaterdagavond viel het de burgemeester op dat zijn dochter nogal lang wegbleef en dat het nog altijd licht was. Hoewel zijn horloge er wegens het waterbad en de koude van de laatste dagen vaak de brui aan gaf, wees het al tien uur aan en enige tijd later enige minuten over tien. De burgemeester trok zijn duffelse jas aan en ging op weg naar de woning van de molenaarsknecht.
Daar aangekomen wees niets op enige activiteit en omdat de deur open was ging hij naar binnen. De woning bestond slechts uit één vertrek, maar ondanks dat herkende hij in de schemering alleen Jonathan, die voor het raam zat en een pijp rookte. Pas toen de molenaarsknecht hem met een sussend gebaar het zwijgen oplegde en daarbij op het bed wees, drongen alle details tot de burgemeester door. Op het bed lag zijn dochter volkomen naakt te slapen, terwijl de vorm en de verdeling van het beddegoed aan duidelijkheid niets te wensen overlieten over wat er aan die slaap was voorafgegaan.
“Ik heb met de slaapdrank maar gewacht, totdat ze wakker wordt” zei Jonathan, terwijl de burgemeester nog verbijsterd in de deuropening stond.
De burgemeester liep paars aan en knarsetandde. Hij ranselde zijn dochter het bed uit, sloeg haar met zijn wandelstok enige malen op haar achterste en terwijl zij zich bibberend zo goed en zo kwaad als het ging aankleedde, braakte hij verschrikkelijke verwensingen over Jonathan uit.
Vloekend joeg hij zijn dochter vervolgens de deur uit en door de sneeuw naar huis. Omdat Jonathan vrijwel meteen na hun vertrek zijn slaapmiddel nam, werden ze onderweg plotseling door de duisternis overvallen. Hierdoor kon Margarethe ontsnappen naar het huis van haar oudtante, waar haar vader haar nooit zou zoeken.
Die nacht deed de burgemeester geen oog dicht. Het duurde ruim een uur voor hij besloten had hoe hij zijn dochter zou straffen, nog een uur voor hij bedacht had hoe hij het eerverlies van zijn dochter zou kunnen verbergen en wederom een uur voor hij tot de slotsom was gekomen dat hij het was die ‘s avonds voortaan Jonathan diens slaapmiddel moest brengen. Door de opwinding kon hij de slaap niet vatten en ergerde zich aan de hardheid van zijn matras en de slapheid van zijn kussen.
Hij was de volgende ochtend nog niet gekleed toen de huisknecht van zijn tante zich meldde met een brief van diens werkgeefster. Toen hij de brief las, trok de burgemeester wit weg. Zijn dochter had haar oudtante alles verteld: dat ze Jonathan had willen verleiden, dat ze gevallen was voor zijn mooie ogen, dat ze zich vrijwillig aan hem gegeven had. De Dame stelde voor om een huwelijk te arrangeren; zijzelf zou een en ander financieel mogelijk maken.
De burgemeester was buiten zichzelf van woede. Hij had zijn kostbare nachtrust betaald voor het plan om zijn dochter naar familie in het noorden te sturen en haar voor tien jaar uit het dorp te verbannen. Onmiddellijk schreef hij zijn tante een brief waarin hij die besluiten duidelijk stelde en meedeelde dat hij voor een huwelijk tussen zijn dochter en de molenaarsknecht onder geen enkel beding toestemming zou geven.
Nog diezelfde dag kreeg hij echter een koel briefje van de Dame, waarin de bruiloft werd vastgesteld voor de eerstvolgende zondag. Hem werd aangeraden een week het dorp te verlaten om de voorbereidingen voor het huwelijk in alle rust te kunnen laten plaatsvinden.
Toen de veldwachter de burgemeester tegenkwam, was deze geheel uitgerust voor de jacht.
“Wat gaat u doen?” vroeg de veldwachter.
“Ik ga verhinderen dat mij een molenaarsknecht in de familie wordt opgedrongen.” antwoordde de burgemeester knorrig.
“Ik zou u willen waarschuwen” zei de veldwachter, “gezien het gedrag van dag en nacht kan het nogal gevaarlijk zijn.”
De burgemeester reageerde niet en liep weg. Hij zou liever zijn verdere leven in duisternis doorbrengen dan zijn dochter aan een pummel weg te geven.
Hoewel iedereen uit het dorp wist hoe ernstig de burgemeester op het voorgenomen huwelijk van zijn dochter tegen was, had niemand verwacht dat hij werkelijk weg zou blijven. De meesten hadden er op gerekend dat hij, na een paar dagen in de buitenlucht te zijn afgekoeld, zich wel weer met zijn tante en zijn dochter zou verzoenen. Hun burgemeester mocht dan een opvliegend karakter hebben, in de grond van zijn hart was hij een eerlijk en rechtschapen man. Nadat de deelnemers aan de stoet echter een uur bij het burgemeestershuis hadden gewacht zonder dat de vader van de bruid verschenen was, besloot de Dame dat het uitstel lang genoeg had geduurd en gaf het sein om te vertrekken. De stoet formeerde zich en zette zich in beweging in de richting van de kerk, waarvan de klokken al vijf kwartier beierden.
Toen de dominee de bruidsstoet dichterbij zag komen, gaf hij de koster de opdracht het klokkenluiden te staken.
De huwelijksvoltrekking was sober en ingetogen, terwijl noch de bruid, noch de bruidegom hun aandacht bij de gebeurtenissen leken te kunnen houden. Ook het belabberde gebeuk op de toetsen van het orgel door de koster leek niet tot hen door te dringen.
Toen alles achter de rug was en de kerkgangers de kerk uitgingen om een feesthaag te vormen, zagen de eerste buitengekomenen de burgemeester staan. Hoewel de uitdrukking op zijn gezicht niet onvriendelijk leek, ging er een dreiging uit van zijn achter zijn rug verborgen rechterarm. De dorpelingen besteedden echter verder geen aandacht aan hun burgemeester en stelden zich naast elkaar op voor de erehaag. Het bruidspaar stapte er vrolijk tussendoor, lachend om het geklap en geroep en enigszins verlegen met de boertigheden aan hun adres die uit de menigte opklonken.
Aan het einde van de mensenrij stonden Margarethe en Jonathan plotseling oog in oog met de burgemeester. De aderen in zijn nek waren opgezwollen, zijn gezicht was diep paars en zijn gelaatstrekken vertoonden nog maar weinig menselijks. De menigte was doodstil geworden en een tijdlang durfde niemand zich te bewegen, bang om het onvermijdelijke in gang te zetten. De burgemeester haalde zijn rechterarm achter zich vandaan en nu kon iedereen zien dat hij een pistool in zijn hand had. Langzaam richtte hij het wapen op Jonathan. Toen hij zijn linkerhand naar het pistool bracht om de haan naar achteren te halen, stootte Jonathan een rauwe kreet uit en zette het op een lopen. Zijn schoonvader holde vloekend en tierend achter hem aan, vergeefs proberend om hem onder schot te krijgen.
Nog voordat iemand hen kon volgen, waren ze al om de hoek van de kerktoren verdwenen. Er klonk een schot en de bruid zakte in elkaar. Terwijl helpende handen toeschoten, klonk een tweede en kort daarop een derde schot. Pas toen het een tijd stil was gebleven, durfden enkele dorpsbewoners aan de andere zijde van de toren poolshoogte te gaan nemen. Daar vonden zij de burgemeester staan, het pistool nog in de hand, naast het levenloze lichaam van Jonathan. Hij stribbelde niet tegen toen de veldwachter hem bij de arm nam en hem wegleidde naar de kerker onder zijn eigen huis, om daar de politiewagen uit de stad af te wachten.
De schoolmeester wees de molenaar op de twee gaten die door de kogels in het pleisterwerk van de kerkmuur waren geslagen. Ze waren niet diep en liepen naar de zijkanten spits toe.
“Het lijken wel twee ogen.” meende de schoolmeester.
“De ogen van Jonathan.” mompelde de molenaar.
Pas toen drong het langzaam tot iedereen door dat de zon nog altijd niet was ondergegaan.
Jonathan werd begraven onder een marmeren grafsteen, die door de Dame werd betaald. Zij zorgde er tevens voor dat haar neef de strop ontliep, door de veldwachter om te kopen en de gevangene uit zijn kerker te helpen ontsnappen. Een andere neef van haar werd burgemeester in zijn plaats.
In de herfst schonk Margarethe het leven aan een zoon, die zij Jonathan noemde. Het kind had de ogen van zijn vader en -tot ieders grote opluchting- ook diens regelmatige slaapgewoonten.
De molenaar zocht en vond een nieuwe knecht, de eerste in een lange reeks die de molenaar tot steeds grotere ontevredenheid bracht. Met ongeduld sloeg hij het opgroeien van Jonathan’s zoon gade, waarbij hij maar al te goed wist dat zijn zoon pas zou kunnen profiteren van diens kwaliteiten. Hij beschouwde het als een gunstig voorteken dat de nieuwe burgemeester weduwnaar en kinderloos was.

(c) HSP Bitter

sharebookmarx H.S.P. Bitter   De ogen van Jonathan