geheugense flarden:
rondom het Olympisch Stadion
Nazomer 1945. We voetbalden op het Stadionplein, aan de zuidkant. We waren pakweg 17 jaar. Ik herinner me nog Flatow en m’n ex-klasgenoot, later hoofdredacteur Adformatie: Lidio Blankstein. We hadden al weer een bal. Soms schoot hij de fietsenstalling daar in, de trap af, en dan ging Flatow ‘m halen, want die was de naaste buurjongen. Wat ik toen uiteraard niet wist, was dat de eigenaar van die stalling veel, veel later m’n (ik maak het moeilijk) ex-stiefschoonvader zou worden.
Andere namen herinner ik me niet. Om de hoek, op de Stadionkade, kwam ik een jaartje of zo later soms even bij de befaamde zanger Bert van Dongen, omdat ik wel met z’n zusje uitging. Schande, hoe dat zusje heette. is me in de ruim 60 jaar nadien droevig ontschoten.
Ik weet nog hoe wok jongens eens speelden op het eh zal ik ‘t het Jasonpleintje noemen? De bal stuiterde voor me en ik wilde ‘m doorwippen, maar hij kwam tegen een raam aan, dat verscherfde. We renden van schrik allemaal naar onze huizen weg. Toen ik thuiskwam, realiseerde ik me dat ik m’n fiets daar op dat pleintje had laten staan. ’n Dag later stond die weer zwijgend thuis. M’n ouders hebben er nooit wat over gezegd. Hoe wisten die mensen van die ruit dat het mijn fiets was, dat ik de dader was, wat mijn naam was (waardoor ze in het telefoonboek m’n adres en telefoonnummer zouden kunnen vinden)? Ik kan verschillende oplossingen bedenken, maar ik heb het nooit geweten.
…………………………………………………………………………………………………………
M’n ouderlijk huis stond aan de Amstelveenscheweg richting Kalfjeslaan. Als Nederland in de jaren dertig in het Olympisch Stadion voetbalde, kwamen vooraf honderden en honderden auto’s bij ons langs, op weg naar het Stadionplein om daar te parkeren. Daarna zetten we de radio aan en we hoorden het verslag van Han Hollander, die op het dak van een tribune stond. Leuk was de ervaring om het echte juichen van het Stadion te horen als er een doelpunt viel, terwijl we het tegelijk op de radio hoorden.
Toen ik beginnend tiener was, kwam ik wel eens in het Stadion, als m’n zakgeld het me veroorloofde. Ik zag Fannie Koen hardlopen en Tinus Osendarp. ik zag Arie van Vliet en Cor Wals op de racefiets.
Ook kregen we op school eens vrijkaartjes voor de finale voetbalwedstrijd om het Nederlands kampioenschap: Stadionbuurtclub Blauw Wit tegen AGOVV: ik ging er met Lidio Blankstein heen. Tientallen jaren later stond op de voorkant van de Vrij Nederland bijlage een foto van de zittribune tijdens die wedstrijd: ik was onzichtbaar, een minimaal putje in de offsetplaat. Maar ik kan zeggen: ik heb nog eens op een cover van VN gestaan!
……………………………………………………………………………………………………………
De brug over het Zuideramstelkanaal is gebouwd door de vader van een vriendje van me: die was aannemer. Hij vond daar Spaanse munten uit de 16e eeuw. Over de Amstelveenscheweg (toen nog de Veendijk?) hebben dus waarschijnlijk nog Spaanse vendels gemarcheerd: tussen de pelgrims die op weg waren naar de kapel van het Heilig Mirakel t’Aemsteldam?
……………………………………………………………………………………………………………
Langs het Zuideramstelkanaal (Stadionkade) lag al vóór WO II een enorm strand van opgespoten zand – het heeft er tot een eind na de bevrijding gelegen. Je kon er pootjebaden en bootjes laten varen (net als in het Van Heutsz-, nu Indiëmonument).
Daar stonden de kanonnen die de geboorte van prinses Beatrix inschoten (31 januari 1938, 9.47 uur). We hoorden ze schieten: 51 keer, want 50 keer was voor een prinses en 1 keer toegift voor als men zich had verteld.
Direct na de oorlog landde er een vliegtuigje op het zand: geallieerde Nederlanders die hun familie in Amstelveen kwamen opzoeken.
……………………………………………………………………………………………………………
Het gebouw aan het Stadionplein vlak bij de brug was, vond ik, heel mooi: in gele baksteen gebouwd – nu helaas overgeschilderd. Een dag of twee, drie na de bevrijding in mei ’45 werden daar Canadezen ondergebracht. Wij natuurlijk meteen er naartoe: echt Engels spreken, sigaretten, chocolade.
Eens was er een demonstratie: vlammenwerpers. Ze stonden gericht op de muur noordelijk meteen naast de ingang van het Stadion. Het was afschuwelijk, ze braakten vlammen uit van tientallen meters lengte: een walgelijk inferno.
……………………………………………………………………………………………………………Als prille dichter was ik eens bij de arrivé dichter Ed. Hoornik op bezoek. Hij woonde in de Stadionstraat. Wat me in de herinnering is gebleven, is het pluche tafelkleed over de huiskamertafel. Pluche en een dichter? Ik was even hevig teleurgesteld in de Nederlandse cultuur.
……………………………………………………………………………………………………………
De koffiekamer in de Oudemanhuispoortse universiteit was klein en overvol. De ‘bevolking’ was er bijna uitsluitend mannelijk. Meisjes waren er haast niet, en de twee of drie hadden in de meerderheid een voorkeur voor vlechten en brillen. ’n Jaar na de bevrijding zat ik daar, opeengehoopt met een assistent die in ruil voor eigengeteelde tabak m’n practicum-opgaven maakte. Ineens, in één beweging, keek iedereen naar de deur. Daar kwam een meisje binnen… nou! Ze had een wijnrode bloes aan, en een lange zwarte broek. Zo opvallend rood? Een lange broek? En nog mooi ook? Je hoorde door de koffiekamer een geaffecteerd fluisteren gaan, een eurdeel van metéén. xag: hoer. hoer. Ze liep naar het midden van het zaaltje, en een student bij wie ze bleef stilstaan, stond verschrikt op om plaats voor haar te maken. Ze zat daar, zonder koffie te halen. En niemand vond dat hij dat voor haar kon doen. Ik klapte m’n doosje tabak dicht, schoof de cahiers naar de assistent en liep naar het meisje. Zal ik ’n kopje koffie voor je halen? Ik kan zelf wel de kelner spelen als ik dat nodig vind. Ik ben geen kelner, ik ben Karel Grazell. Ze lachte en stelde zich voor.
Ik noemde haar iew naar haar initialen, en we trokken vaak met elkaar op. Ze woonde in de Stadionstraat, tegenover de bijvelden van het Stadion. Ik kwam dikwijls in dat ouderlijk huis van haar: de moeder was een moderne vrouw, die meende dat seks vóór het huwelijk geen probleem was (hele goegemeentes zouden haar in die tijd hebben verketterd om zo’n standpunt), haar vader was een stille man in een luie stoel (maar na z’n dood is er een straat in Amsterdam naar hem genoemd: ik moest er een paar jaar geleden op een groot Surinaams feest ‘optreden’). En ze had nog een jonger, onopvallend zusje.
Iew had een zolderkamertje daar. Maar zonder radio. En wat hadden we in onze tienertijd gehoord? Wehrmachtskonzerte, oorlogsfanfares, es geht alles vorüber, vor der Kaserne en scheiden doet lijden. Het was nu de tijd dat de swing draaide, vooral natuurlijk op buitenlandse radio’s (maar die helaas vol ruis en fading waren), want de verzuiling was opnieuw uitgebroken op de Nederlandse zenders en dat betekende nog veel van het kruid Bedil: toespraken, preken, lijzige strijkjes, en nu en dan een dansorkest. Maar iew en ik hadden het Je van het Het gevonden: de AFN, American Forces Network. Bij voorkeur luisterden we om 12 uur ’s nachts, als het Wilhelmus de zijïgheid van Hilversum had afgesloten, dan kwam Midnight in Munich met een dj (zo zou tegenwoordig zeggen) wiens naam ik niet kan spellen. Het programma begon altijd met de wals Out of my dreams, uit de musical Oklahoma.
Iew had geen radio. Maar we trokken stiekem de telefoon door naar haar kamer (om die tijd sliepen haar ouders immers toch al), en ik had vlak bij m’n slaapkamer boven een telefoon ter beschikking – het was een diensttelefoon (en die was gratis), omdat m’n vader bij de ‘telefoon’ werkte. En ik had ook nog een radio.
Ik belde haar, legde de hoorn tussen m’n hoofdkussen en de luidspreker. Iew was heel spontaan. Gillen en zuchten kwamen nu en dan uit mijn telefoon. Onze bedden stonden op vijf minuten na (fietsen van mijn huis tot de Stadionstraat) uit elkaar: een tele-relatie… zij 17, ik 18.
In ’47 vertrok ze, onverwacht, naar Kopenhagen. Ik heb nooit meer iets van haar gehoord. Toen in die dagen W.F. Hermans me officieel wilde lanceren in Criterium, schreef ik daar een aantal gedichten voor. Enkele droeg ik op aan iew.
…………………………………………………………………………………………………………
Het was de kroningsweek, vanaf 31 augustus 1948: abdicerende koningin Wilhelmina zou zich op het balkon van het paleis op de Dam bijna verslikken in haar majesteitelijke prothese toen ze haar dochter Juliana als opvolgster aan den volke voorstelde. Maar eerst was er onder andere een groot feest in het Stadion. Op de een of andere moeizame manier had ik een toegangskaart gekregen. M’n ouders hadden er geen, puh puh! Ik zat op de tribune naast de hoofdingang. Ik keek naar de deelnemers die binnenkwamen en defileerden. En ineens zag ik in die lange rij ook m’n ouders lopen.
Later vertelde m’n vader: we stonden bij de ingang van het Stadion te kijken en toen er een koor langskwam, zei ik tegen je moeder: kom, we sluiten ons maar aan.
M’n vader, zei ik wel eens, ging nergens naar toe en dan kwam hij overal.
……………………………………………………………………………………………………………Het was midden jaren zestig. Ik wandelde met m’n pakweg tweejarige tweeling stapje na stapje over de parkeerplaatsen van het Stadionplein – die toen nog vooral leeg waren. In de verte zag ik Hein Donner, ook hij had een klein kind aan de hand. Schaakgrootmeester Hein had ik in geen tien jaar meer gezien: vroeger schaakten we wel met elkaar en gingen we soms op stap. Ik zag hem traag dichterbij komen en ik dacht: wat zullen we straks tegen elkaar zeggen, na zoveel tijd?
Hij wandelde rustig door en zei alleen maar, toen hij naast me was gekomen: tsja.
De vrijgezellen van vroeger waren getemd door onze nakomelingen.
TSJA.
Karel N.L. Grazell
Amsterdams stadsdichter uit ZuiderAmstel