een snikhete zomerdag
|
|
laat zijn tranen over Poolse akkers lopen
bijtende kou kan hij verdragen
maar nooit, slijt het snijden
van stilte
in voetstappen die vertragen
weer ziet hij de barakken
waar zijn ziel werd vermoord
en waardigheid verkracht
hij brengt zijn hand naar de borst
zijn stem stokt, ze stalen mijn naam
ik werd nummer B 0698
© Hanny
Le Canard
Een oud pakhuis in de Spuistraat:
daar hing de kunst zich te vervelen.
Lang geleden. Lang geleden.
Ik heb er eens geslapen
in een blote ruimte achterin,
terwijl Constant z’n doeken
tegen oorlog toonde.
Op m’n spiraal wat kranten als matras:
de winter tochtte op m’n heupen,
ik sliep onder m’n dichtjas
(ik bedacht warmte van woorden).
In een witte zaal vlak naast me
lag een gesneuvelde
geschilderd door Constant,
zwart van dood, rood van bloed.
Er was veel lijden.
Lang geleden. Lang geleden.
De dode was van verf.
En ik van kou.
Karel N.L. Grazell
Amsterdams stadsdichter uit Zuid
.
ik denk dat ik
ook het doosje maar weggooi
waarin je gezeten hebt
tuurlijk, je was een cadeautje
alleen was de verpakking mooier
dan de inhoud
gek werd ik van je braillevingers
die alles verdraaiden
de enige die je zag was jijzelf
en ik zag niets als ik over je schouder keek
in de spiegel
ik was je rijk nu ben je kwijt
.
mevrouw S. Wensenbach-Teraerden
Welk geluk zal mevrouw gaan kopen
in de Heetboven/Beethovenstraat?
Eerst eens naar de boekwinkel voor
een bundel van Karel N.L. Grazell –
hij schrijft: welk geluk zal mevrouw
gaan kopen in de Heetbovenstraat,
de zonlichtbrede Beethovenstraat?
Aan de overkant mode van Claudia,
maar ja, die is nu zusje van Jamin.
Mevrouw tipt van een chemische
bloem Imitatia de geur op haar hals.
Ze steekt nu het tropische zebrapad
over naar een viskroketje tussen de
wangen van een kadetje en tegen de
regels van mevrouw zijn in eet ze
het op een bankje van het voorjaar:
trams glijden er als walvissen langs
zoals ooit de verduisterde nacht hier
mensen met koffertjes gleed over de
rails naar de eindhalte van de dood.
Bij de slager (mortuarium) kiest ze
biefstuk die naschreeuwt van angst.
Ze vindt dauwbesproeide.citrussen,
de schil.geel van de zon van Matisse.
Zouden ze daar die shabbies hebben,
laarsjes voor trippeltrap in de lente?
Wat, borden met Nijntjes erop? Gaat
het ganse jaar wortels eten worden.
O, en straks zal er een brut cuvée in
onze glazen bruisend gaan dansen.
Zou ‘t met een Saint Albray kunnen,
die kaas als een bloem, waardoor je
ja wilt zeggen tegen elke Pyrenee?
Hoor, het voorjaar zingt de Fidelio
op het terras: Mir ist so wunderbar.
Even erbij met een panna montata:.
zo’n tas vol geluk tilt maar zwaar.
Dan is ze thuis temidden van geluk:
alles uitgestald of opgeborgen. Ach,
nu kan ze zelfs haar man verdragen.
Geluk kan zijn: een duivenveer in de
wind, de vage muziek van een viool.
een herkenning, soms een glimlach
tegen jezelf. Herstel, geluk kan zijn:
gaan winkelen in de Heetbovenstraat,
in de zonlichtbrede Beethovenstraat.
En stel: in je leven heb je wat je bent.
Herstel: in je leven ben je wat je hebt.
Karel N.L. Grazell
Amsterdams stadsdichter uit Zuid