
Computo ergo sum
Ik computer, dus ik ben. Wat? Wie?
Hier en nu in elk geval een verbondene
met het wereldwijde web van webben.
Een nettenboetster vlocht mijn draadje in
en nu heeft een centrum vol met koude
gangen en zoemende kasten ook mij
in ‘t oog. Haastig spring ik in het oppervlakkig
diep en zwem rondjes in een kennisoceaan.
Een hommel stoort mij zoemend. Even besta
ik weer los van het scherm. Ik sta op en drijf
hem naar het open raam. Hij kiest de vriiheid
en ik benijd hem. Ik wil hem volgen. Hij is
toch net als ik te zwaar om te kunnen vliegen
maar hij kent een trucje dat ook ik beheers,
zij het enkel in mijn dromen.
Ik schuif weer aan tafel, ik computer weer
en ik besta ingeperkt door middel van de
‘weergaloze mogelijkheden der techniek’ .
Ik computer en ik ben
een element in talloze verdienmodellen.
Ik ben heel actief, een nijvere bij die bij elke
tik gerinkel hoort.
Ook deze eenzaat in zijn moderne kluis
is niet alleen. Hij nadert de duizend vrienden
en in één van zijn sociale netwerken zoemt
zefs een zwerm van zeker een half miljard
mensen. Geweldig toch?
wij zoemen hier
en een verre imker
oogst
.
miljoenen goden
verdringen zich op hun trek
door het stelsel
onwetend, onbestemd
zijn zij, toch
te zijner tijd bestormen zij
de roze planeet
dringen in haar zachte lijf
ontglippen het zijne
of herscheppen zich
er is geen weg
en ook geen terug
en in een stille kamer
onverlicht en telkens weer
ontstaat uit een van hen
de mens nog zonder zucht
en reeds een vat vol vragen
(c) Beli
.
hallelujah zei de Heere
er zijn weer jutteperen
en de gelovigen zongen in koor
geloofd zij de Heere
Eva gaf ons de appel
van de Heere krijgen wij jutteperen
aldus geschiedde in de hondsdagen
dat het komkommertijd werd
en niemand om muilperen dorst te vragen
om uit te delen, natuurlijk
.
Die aprilse morgen in 1937 kreeg ik m’n eerste fiets. Ik had ‘m al een hele tijd zien staan in de etalage van de fietsenwinkel schuin aan de overkant: een doortrapper met maar een (hand)rem, voor op het voorwiel.
Die morgen ging ik naar m’n vriendje Corrie. Hij was de zoon van een aannemer die een prachtige brug zou bouwen van Stadionplein naar Amstelveenscheweg en daarbij oude Spaanse munten uit de zestiende eeuw zou vinden. Ik stelde me daarna die soldaten voor op de smalle dijk die de weg toen nog was: het Spaanse vendel op de uitmarsch.
Corrie woonde op eenhoog in een van die teruggetrokken oude huizen schuin tegenover de Nieuwe Meerlaan.
De weg was een vlakte van zand. De arcadische, door eigen gewicht en door de eeuwen een heel stuk in de veengrond weggezakte polderdijk moest de uitval worden van Amsterdam richting Amstelveen en Schiphol. Dus veel breder maken, op een nippertje na van de huizen aan de ene tot die aan de overkant, voortuinen overal weg, en dan zand erop, zand erop. De boerderij naast ons stond iets van de dijk af, op polderniveau, en men had een betonnen wand moeten maken om het zand tegen te houden, anders schoof het zo de huiskamer in. Als jongen van nu 9, en zowat een kop groter dan m’n klasgenoten, kon ik niet over die dam heen kijken.
Op het zand bij Corrie’s huis stond een gesloten houten wagen. We klommen op de hoge bok en begonnen te zingen, of liever: te brullen. Hoor mijn lied, Violetta, hoor mijn lied, dat ik zing voor jou.
’s Middags moest Corrie naar accordeonles, want die ging door – vakantie of geen vakantie.
Na een paar boterhammen met pindakaas en een emaille kroes met limonadesiroop
ging ik weer de deur uit. Het zand vloog in de hal en in m’n ogen. Toch lag het niet in de voortuin. De drie huizen, waartoe m’n ouderlijke woning hoorde, hadden nog onbedekte voortuinen, waar het zand omheen was gestort: er liep een onteigeningsproces.
Ik begon een kasteel te bouwen in het zand, zeker wel een vierkante meter. Ik maakte er een gracht omheen en goot die vol met water. Ik zette wat madeliefjes op een toren, maar die verslapten al gauw.
En toen kwam oudtante Ger op verjaarsvisite. Ze was de vrouw van de broer van mijn grootvader. Het echtpaar woonde Margaretha van Borsselenlaan 16 in Amstelveen.
Ik moest natuurlijk binnenkomen. Tante gaf me een stevig boek over P.P. Koekelberg en zijn vriendjes, door A.D, Hildebrand. Ik heb het vaak gelezen. Peter Poele Koekelberg werd afgekort tot Pepeka. Die vriendjes waren Centebuik, het spaarvarken, poes Mies, hond Pluimstaart en een gummie kikker Puiloog. En steeds weer speelde het zich in m’n onbewust meefantaserende gedachten af in onze achtertuinen. Het schuurtje had bijvoorbeeld iets van de golfplaten garage die Richard Sell in z’n tuin naast ons had.
Het boek verdween tenslotte in de vuilnisbak van de volwassenheid, helaas.
En dan, in 1976, kom ik een druk tegen in de uitverkoop bij V&D. En het blijkt nog wel twee deeltjes extra te hebben. Ik weer lezen. Het eerste deel kende ik nog bijna uit m’n hoofd, elke zin kon ik meedoen, zoals sommige mensen met een vioolconcert mee kunnen neuriën.
De andere delen was ik niet gewend, dus die deden me minder. Tot… tot ik ontdekte dat voor die veelgelezen kleine ‘held’ uit m’n jeugd de zoon van de schrijver had model gestaan.
En ik herinnerde me ’50, die tijd. Toen ontmoette ik eens Tonio Hildebrand. de zoon van. Hij deed wat in auto’s, racen en verkopen en zo, meen ik. Hij droeg een geruite pet, een geruit pak met pofbroek (‘drollenvanger’) en een snor die je zowel links als rechts om een vinger kon winden. Ik vond het een vreemde figuur en heb de kennismaking niet gecontinueerd.
En dat was dus Pepeka!
Karel N.L. Grazell
Amsterdams stadsdichter uit Zuid
http://www.belikunst.com/nkp-karelnlgrazell.html
Aan de achterkant op één hoog stond ik opgesloten aan een raam. Ik was alleen en eenzaam. M’n vader was aan het werk, m’n moeder was naar de gaarkeuken om wat water met aardappelschillen te halen, en al hongerwinterse maanden lang had ik andere gewoontes dan ik tot dan gewend was geweest.
Ik leek naar buiten en ik zag van vlak voor me naar in de verte eerst het dak van de serre voor me, bedekt met grint, daarna de tuin die zwart was van aarde en dooiwater, en dan tenslotte de lange weilanden tot aan de Amstel, nog deels bedekt met goorgele flanellen lakens van smeltende sneeuw. Daarboven het winterlicht, van metaal, vaag blauwig. Met toch al wat hoop, maar hoop waarop? Elke hongerwinterse dag was hetzelfde, de frontlinies kwamen op de kaart maar millimeters vooruit: de geografie van lood en dood. Maar de nood werd groter, de leegte sloeg steeds meer toe in maag en ziel.
Ik keek en zag geen verbetering. En toen kwamen de spreeuwen. Een zwerm van tientallen. Ze gingen op het dak van de serre zitten en keken me aan. Ze zwegen en bewogen nauwelijks. Later zou ik hen terugzien op schilderijen bij Cobra schilders thuis.
Voorzichtig deed ik het raam open. Ze bleven. Ver achter hun rug zag ik de zon als een geallieerd wapen in de koude hemel. Er stonden bomen in de tuin, die nog geen slachtoffer waren geworden van burgers met bijlen, mensen die op hun beurt dupe waren van Hitler en honger.
De spreeuwen keken. Ik zei wat: tuut of zo. En eentje maakte geluid terug. Ik zei huut. En eentje bewoog even z’n vleugels en gaf antwoord. De anderen keken rond, keken naar elkaar en bewogen wat en schoven en paar centimeter op naar links of naar rechts, naar achteren of voren. Verstonden ze wat ik zei? Maar dat kon toch niet. Trouwens, wat betekende tuut of huut: was dat spreeuwentaal?
Veel later, ik was veertig, moest ik een groep van ruim twintig Franse mannequins regisseren tot een dansende modeshow in het Hilton. Mijn Frans zal tuut en huut zijn geweest en hun taal was anders dan ik had geleerd: veel te snel, de helft niet gezegd, de fraaie lippen over alle klanken heen. Er hing veel onbegrip tussen hun rankheid en mij. Maar het lukte.
Spreeuwen. Des étourneaux op het Hiltonse toneel van het serredak.
En toen, opeens als op een telepathisch bevel, vlogen de spreeuwen in één beweging weg.
Ik deed het ramam dicht en ging over tot m’n gewoontes. ‘n Populier in stukjes hakken voor het noodkacheltje. En eten van die ene boterham van karton. Luisteren naar dat vreemde radiootje met honingraatspoelen, dat op de ijskoude vliering zat verborgen, de waslijn als antenne. Wat zei de BBC in perfect Engels? Wat zeiden de Denen in Londen? Ik hoorde iets, heel ongespelds, over manskapleuze festgefluuwe (V1) en van soeëhoese (ziekenhuis). Hoe twetterde Radio Oranje dit keer? Wat had de Soldatensender West in Zuid-Engeland te vertellen? Ik kookte wat voor m’n ouders en mezelf. Ik trapte op de fiets die in een standaard stond, om wat licht voor m’n vader die een illegaal blaadje wilde lezen. De nacht was zwart. Het schieten van de luchtblafweer begon. Toen ging ik naar bed: rilkoud water in een lampetkan, klamme lakens, vochtige gestikte deken. IJsbloemen op de ruiten.
De volgende dag stond ik weer bij de geopende ramen. En voorwaar, er kwam één spreeuw. Eén. Ik gaf ‘m (M/V) een klein stukje van die ene kartonnen boterham van die dag. Hij hapte gulzig en begon toen zenuwsnelle vleugelbewegingen te maken. Hij deed een soort révérence, twetterde even en probeerde al fladderstaand zelfs een soort gefluit.
Ik floot terug. We floten een korte dialoog – maar ik begreep ook deze mannequin niet.
En daar ging hij weer.
Der volgende morgen was hij er al.
Ik had een vriendje in de hongerwinter. Een spreeuw als vriendje.
Hij bleek een imitator te zijn, zoals alle spreeuwen. Ik floot een toontje hoger en hij deed hetzelfde. Ik een toontje lager en idem.
En toen ging hij op mijn voorbeeld oefenen met twee, met drie tonen.
Op een morgen kende hij de eerste zes noten van In the Mood: Mister whatcha callum.
Het was een mijlpaal van vriendschap.
En toen kwam hij nooit meer terug. Hij zal op tournéé zijn gegaan.
De bevrijding explodeerde toch nog ons leven en bijnadoodzijn in. De oude tijden kwamen weerom, net als na de Fransen door Van Hogendorp aan z’n mede-elitairen werd toegeroepen. En vol eenzaamheid begon ik m’n carrière als schrijver en dichter.
Want dat doe je als je zo’n vriendje hebt gehad.
Als ik zo rondkijk en rondlees, hebben de meeste dichters en schrijvers nog nooit een spreeuw ontmoet, laat staan een modeshow geregisseerd.
Karel N.L. Grazell
Amsterdams stadsdichter uit Zuid
http://www.belikunst.com/nkp-karelnlgrazell.html