opnieuw bezie ik mijn ruimte:
oogkassen zonder blik
neusvleugels zonder vlucht
tongen zonder geur
klanken zonder kleur
immer aanloeiende vormen
in een onvertaalde storm
en ik fluister een vreemd gerucht
uit een adem zonder zucht
opnieuw beluister ik
in verborgen kasten
de gestolde beelden
in vergeelde verhalen
die blijvend eender zijn
door de ogen
van lege sleutelgaten
en ik verlam de stormen
op langgeruimde schappen
opnieuw nader ik mijzelf
en ik noteer:
mijzelf:
wand
stilleven (blauwe vaas met rozen)
open venster
snuivende rozen
slagzijmakende storm
blauwe scherven
blauwe lucht
ik ruik de vlucht
in wolken, roze wolken
maar dat is achter mijn rug
.
miljoenen goden
verdringen zich op hun trek
door het stelsel
onwetend, onbestemd
zijn zij, toch
te zijner tijd bestormen zij
de roze planeet
dringen in haar zachte lijf
ontglippen het zijne
of herscheppen zich
er is geen weg
en ook geen terug
en in een stille kamer
onverlicht en telkens weer
ontstaat uit een van hen
de mens nog zonder zucht
en reeds een vat vol vragen
(c) Beli
ze stapte naar binnen
met een filmpje zweet op haar huid
als een actrice
die een zware erotische scene had gedaan
en nu onderweg was naar huis
tersluiks voelde de man aan een mondhoek
of daar geen ongewenst vocht uit liep
en durfde haar niet meer aan te kijken
bang dat ze zou zien welke pornografische taferelen
in z’n hoofd afspeelden
ook op een tramlijn
kan begeerte toeslaan
.
|
|
Kijk hoe haar handen hoe nerveus
haar vingers als spinnepoten rugge- en zijdelings en onderlangs lenig de ringen om en om bewegen
Het zwaarst gaat neerwaarts — zij gaat verwoed het vallen tegen
Spin houdt zich dood — zij niet haar mond
Ze laat haar ringen zelfs om haar slapen
Ze zingt: er is geen vleugel
Hoe angstwekkend voor een kind aderen bovenop haar handen
die kronkelend een eigen leven zijn begonnen
De lange vingers langer nog door al dat zilver
Armbanden om twee slanke polsen die uit te wijde oudevrouwenmouwen
zijn gaan steken handen deemoedig neerwaarts de ene over de ander
eIk dicht haar haar verhaal toe van hoe
ze moedig indringers verdreef van haar hoge deur en diepe huis
Ze kwamen bijna al haar zonen halen
die zaten onder planken van de entresol
of ergens op het allerzolderste, de vijfde hemel
Daar vonden wij veel later pothelmen en afgeladen kogelriemen, het wemelde er van pakken marken zonder waarde
De kolder toen al in de kop
Ik houd het op hoe zij haar ringen vierde
Zilver was van voor de oorlog in Holland op z’n smalst
Zo benoemde haar bewonderaar haar leest — ze trouwde niet met hem die haar onwillig wilde
maar met de man die altijd zweeg tenzij hij basso profundissimo
onder het aardappels schillen zachtjes liefst niet zong
In plaats daarvan viste hij het gouden zakhorloge op als een pochette en legde het mijn oor te luister zo
dat ik oud gewicht en ‘t verrukkelijke tikkelen voelde als hij het opwond
En hoe hij dan met die bruine bakelieten knop de radiodistributie van de PTT aanzette
en behalve Hilversum Londen legaal ontving
Zij sprak hele dagen in gebeden
Ze naaide strenge rozenhoedjes, modinette als ze was
die laden met missalen en gedenkprenten van allerhande heiligen op zolder
optaste tussen parafernalia en het waardeloos geworden geld en
bepotelde paternosters, alles door ons onnozelen gevonden
Ze kwamen bijna al haar zonen halen
De stoere dan
Niet onze Ome Jan die zij uit handen had gegeven en het kind werd van tante Philomien
Op Oma’s zolder van de Lawickse Allee
hebben we zijn kinderen ternauwernood gezien |
| Ploos | 22 juli 2010 |
Toelichting: “Er is geen jongen” (zegt de uil van Merlijn, die Arthurs letterlijke binnenvallen negeert). De handen die Rachmaninoff zouden kunnen spelen als er een vleugel was. En het weggegeven kind, het grote zwijgen.
http://www.dichttalent.nl/?nav=orthKsHrGmKhLkBgE&gedsel=gxonlDsHrGmKhLAmiaBriaBDKLgK
|
|
Hij was er weer de spin
een van het stel dat ik vorig jaar
met zorg had uitgezet
die van het soort waarvan geen net in hoeken zichtbaar is
dat opdoemt zonder zichtbaar nageslacht
Mijn deur stond open
want het weer was goed
Hij had de moed om heel zijn wisse tuin
zijn grond achter zich te laten
Hij heeft een kind te vondeling gelegd
Dat laat ik huizen tussen boeken
en voer het suiker
Ploos, juni 2010
http://www.dichttalent.nl/?nav=orthKsHrGmKhLkBgE&gedsel=rqhdlDsHrGmKhLAmiaBriaBDKLcK |