Posts Tagged ‘Karel N.L. Grazell’

Posted by Redactie at 22 July 2010

Category: Poëzie, gedicht

Tags: , , , ,

Amstelveens(ch)eweg 797

twee ouders, twee anekdotes

M’n eerste jeugd. tot de meidagen van ’40, toen ik twaalf was, toonde me een schepping die nu wel af was. Ach, er was nog wat gerommel in de verte, maar dat kwam op krantenpapier: Il Duce. Herr Hitler, De Zeven Provinciën, Jordaan oproer, zelfs m’n eigen stad was ver weg. De Amstelveenscheweg was een landelijke weg, die naar de eeuwen uit het verleden rook – de oudgeurse boerderijen, de antieke, vochtige polderweilanden die hier en daar door steuntrekkers nog werden vervolmaakt. de naar nieuw ruikende rand van Amsterdamse School wijken die nog niet naar onze arcadische rust schoven. Als ik bij de morellenboom in de tuin speelde of in de dampende hitte van de stal naast ons stond, wist ik dat dit allemaal goed was, heel goed. Zo oud als het zich toonde, was het af.
Ik leefde er zoals ik een boek las. Geconcentreerd, bijna geïsoleerd. ’n Gebied dat meestal niet meer dan zo’n honderd meter lang was en vijftig breed. Zoiets. Een landelijk conclaaf waar ik uit moest vanwege school en verder nauwelijks.
De belangrijkste mensen in m’n leven op de Amstelveenscheweg waren m’n ouders. Ik zal hun karakters en daden niet psychologisch verantwoord beschrijven. Ik beperk me tot twee ervaringen. Dan zult u genoeg weten, neem ik aan.
Ze kwamen uit Tiel. M’n moeder stamde van de Van Heemskerk Brandwijk’s (op een oude kerk in Drumpt wordt de eerste steenlegging door een burgemeester van die naam herdacht). Ze was opgevoed in een wat stijf gezin met een ‘mooie kamer’, met een vader (aannemer) die zich het hele jaar door ‘s morgens waste onder de ijskoude pomp en ’s avonds na het lezen van Pniël en voor het slapen gaan altijd even naar de sterren ging kijken, buiten.
M’n moeder (heel mooi op een foto) haalde een Tesselschade diploma kinderjuffrouw en werd dat onder meer bij een deftige familie Huges in Koningslaan 1 te hierent.
Ze was op de Amstelveenscheweg een mevrouw, hartelijk, geheel gewijd aan haar kleine gezin en vaak vergetend dat ze heel misschien wel zangeres had willen worden.
Eén anekdote over haar.
Ik was, een jaar of twintig, uit het ouderlijk huis weggelopen met ruzie. Na een week of drie zei de barkeeper van m’n stamcafé Eijlders bij het Leidseplein: Karel, er was een mevrouw voor je, ze heeft een pakje achtergelaten.
Er zat schoon goed in…
M’n moeder in zo’n café, bij die ‘slechte vrienden’ van me, zoals ze altijd zei. De moed!
De naam Grazell komt van een beroemde middeleeuwse legende: een historische markiezin rond 1200 in Italië. Haar verhaal staat in de Decamerone, The Canterbury Tales en honderden andere boeken. Grazell betekent: (eerste lettergreep) Christus, (tweede) strijd. M’n vader was zoon van een schoenenwinkelier in de Waterstraat (Kalverstraat van Tiel). Maar de man stierf jong, z’n weduwe werd baker van o.a. de Daalderop’s, de Tideman’s. En m’n vader groeide op in armoede. Maar hij was heel goed op (technische) scholen en werd door een freule op weg geholpen.
Ook één anekdote. Toen hij net 90 was, zei hij tegen me dat het echtpaar dat naast hem woonde, alleen AOW had en zich geen TV kon veroorloven. Hoe loste hij dat nou op? Hij kon natuurlijk geen TV cadeau geven, dat zou hun trots niet willen. ’n Paar dagen later had hij het: Karel, ga een portable TV kopen – die neem ik dan ’s avonds op visite naar hen mee, omdat ik zogenaamd een of ander programma wil zien, en nadat ik een paar avonden zo dat toestel heen en weer heb gesjouwd, laat ik het voor het gemak daar maar staan.
Van m’n moeder zei ik wel: ze is eenkennig, ze kent zelfs haar weerga niet.
En tegen m’n vader: ik heb nog nooit zo’n vader gehad als jij.

Zo’n beetje waar de serre van m’n ouderlijk huis was, midden op het grasveld tussen gebouw De Iep en de Amstelveenseweg, staan ter ere van m’n stadsdeeldichterschap drie prille bomen. Ik noem ze in m’n hoofd, en nooit hardop, want ‘t is mijn geheim, van links naar rechts: Stijntje, Nicolaas en Karel. maar ons drieën.
De wereld hier is een stuk minder geworden. Hij was wel af, maar er zijn sindsdien allemaal nieuwe mensen gekomen en die gingen zich met die wereld bemoeien… een van de ergste menselijke eigenschappen: de grote bemoeiziekte, de Bacil Bedil. En nu zijn we al tientallen jaren gezegend met auto’s, stank, kankerend zonlicht, asfalt en beton. Het kind, ik en ieder mens van vroeger, is nadien volwassen geworden en soms denk ik, terugkijkend, wel eens dat volwassenheid een straf is die voor de kinderen is uitgedacht. En dan trek ik me terug in het conclaaf van m’n herinnering, van m’n taal: een gebied van zoveel woorden lang en zoveel breed.
In Memoriam gedichten, ooit voor m’n moeder en vader geschreven:


Stijntje Grazell-Brandwijk

(1972)

Keihard eenzaam zijn is sterven.
Een hand vasthouden helpt niet.
Herinneringen helpen niet meer.
Adembenemend is sterven. Wachten.
Tot je hand hulpeloos valt. Tot je
als een kind weer bent geworden.
En dan niet meer zijn. Een dicht oog.
Een
mond dicht. Geluidloos praten
met wie overblijft. Schuld en ook
schuldeloos zijn temidden van louter
eeuwigheid. Keihard eenzaam zijn
is sterven. Daarna staat gelukkig de
tijd stil: de enige daad in je leven is
doodgaan, met liefde eenzaam zijn
en hulpeloos. God is adembenemend
onbegrepen en eenzaam.

Nicolaas Leendert Grazell
(1985)

Een boom, een stamboom, verdween.
Nu blijft alleen nog het veelbelovende,
angstige raadsel van de toekomst, die
voor ons is als handen die niet weten
wat ze doen onder de zonnestoring
van de tijd. Een wonder heb ik bij het
ijzeren ledikant van je uiterste uren
gezien: er is geen ingrijpende grens
tussen leven en dood. Praat maar niet
meer, onder de gravure van mijn
aan jou herinnering staat: hij was
een goed mens (we zijn zonder jou
meer alleen, maar maak je geen zorgen:
bij god, ook wij komen allen wel terecht).

Karel N.L. Grazell
Amsterdams stadsdichter uit Zuid

sharebookmarx Karel N.L. Grazell   Amstelveens(ch)eweg 797   Twee ouders, twee anekdotes

Posted by Redactie at 14 July 2010

Category: Proza

Tags: , , , ,

Het verhaal heeft, vind ik nu, eigenlijk wat weinig logica, maar zo is het gebeurd.

Bus H reed z’n naoorlogse dagen op de Amstelveenseweg van het kruispunt met de Cornelis Krusemanstraat naar de Kalfjeslaan en retour. Om tien voor half een vertrok de laatste bus tegenover het Haarlemmermeerstationnetje. En er was, nergens in Amsterdam, nachtelijk openbaar vervoer.

Ik kwam vaak veel later uit het studenten- en/of uitgaansleven van de stad en moest dan lopen: anderhalf, twee uur. Ik was tegen de twintig en die nachtelijke wandeling gaf geen enkel probleem.
Vanaf het Stadionplein was het nog twintig minuten. Het eerste stuk van de Amstelveenseweg na het plein, zeg maar tot aan het Weeshuis richting Koenenkade, had nauwelijks bebouwing – alleen aan de oneven zijde een enkele boerderij, een begraafplaatsje, wat blokjes huizen. Aan de even zijde niks. De weg was leeg en doods in het bbrrr lijkkleurig makende natriumlicht van de straatlantaarns. Heel in de verte, hoorde ik. klonk het incidentele brullen van de leeuwen in Artis.
Soms kreeg ik een lift van een taxi, die z’n werk achter de rug had en op weg was naar de garage van Spelde aan de Nieuwe Kalfjeslaan.
’s Nachts met een taxi thuiskomen? Dat paste niet op de allerrustigste Amstelveenseweg. Aan de overkant van mijn ouderlijke woning zaten de buren urenlang in nachtkledij te loeren door de kieren van de gordijnen. Jajaja, daar is’t-ie weer. Morgen aan z’n moeder vertellen.
En zo hoorde ik van m’n moeder nog wel eens dat ik weer met een taxi was thuisgekomen. En jongen, jongen, moet dat nou? Vertellen dat het gratis was, hielp niet: een taxi was een taxi en als je daarin midden in de nacht reed, kon je gauw een slechte naam krijgen. Een Amstelveensewegger reed ook eigenlijk niet met een taxi, behalve in uiterste nood.
En toen waren m’n ouders een weekje op vakantie, naar Drente, o.a. naar de TT-races. Ik was alleen in het ouderlijk huis. Ik belde een aantal vrienden, nodigde ze uit voor een joyeuze maaltijd van drie gangen, onder voorwaarde dat ze allemaal op het Stadionplein afspraken en dat ze dan per taxi – elk stel een aparte wagen – in een kleine rij naar no. 797 zouden komen. Die Amstelveenseweggers moesten maar ’s ineens wennen. De rit kostte inclusief fooi een rijksdaalder, een meer dan acceptabel bedrag voor goed te eten (ik kon aardig koken).
En zo geschiedde het dat er op een zomeravond een kleine vloot van taxi’s aan het trottoir meerde vlak voor Amstelveenseweg 797. Het was uitdagend.
M’n moeder heeft het nooit meer over nachtelijke taxi’s gehad. Die invasie van taxi’s was kennelijk teveel geweest voor de overburen.
Ik zei het al, er zit wat weinig logica in dit verhaal – maar zo, zo is het volgens m’n geheugen gebeurd.
Met alsnog dank aan die aardige, me meenemende chauffeurs van taxi Spelde.

Karel N.L. Grazell
Amsterdams stadsdichter uit Zuid

sharebookmarx Karel N.L. Grazell   Amstelveenseweg 797   Taxi voor een diner

Posted by Redactie at 28 June 2010

Category: Proza

Tags: , ,

kip, ik heb je

In die jaren van crisis en oorloog, mijn jeugdjaren, was het voor een vrouw als m’n moeder een vaak eentonig leven. Want elke werkdag, vijfeneenhalf in de week, moest ze voornamelijk thuisblijven. Bijna alles kwam namelijk aan de deur. En haar enige zoon, ik, moest tweemaal daags naar en evenzoveel keren van school, worden verzorgd.
Al die dagen ramde veelvuldig de klopper op onze voordeur (ja, we hadden een nogal zware klopper, geen bel, en dat hebben we geweten, al die jaren, met een ook toen al uit de band springende jeugd die een klopper prachtig vond: leeft er nog iemand van die jongens/meisjes? Bedankt.).
De bakker, de slager en de groenteman gingen ons huis voorbij: mn moeder haalde het brood, m’n vader het vlees, en de groenten (de hele agf) kwamen uit de tuin. Maar er waren genoeg anderen. De melkboerin met haar litertje melk is goed voor elk. De krantenman voor het weekabonnement. De muziekmakers. De petroleumman met z’n hondenkar, want we hadden twee petroleumstellen op het aanrecht: voor het sudderen en warmhouden (in de oorlog had m’n vader een hooikist gemaakt, want toen was ook de petroleum op de bon en tenslotte helemaal niet meer).
De man van het ziekenfonds. De man van de begrafenisverzekering (waar is de mijne?). De mannen zonder werk die een rijmtekst achterlieten en de volgende dag weer kwamen ophalen, in de hoop op een kleine monetaire libatie. De kraaien, die in getreste zwarte pakken een overlijden berichtten op plechtige, onpersoonlijke toon: kenden we die nieuwe dode wel? hij woonde wel op de Amstelveenscheweg, maar we kenden de meeste bewoners niet. Enzovoorts enzovoorts.
En dan kwam ’s avonds nog m’n vader thuis en die wilde graag eten en rust en aandacht en zo.
Soms, ’s middags, kon m’n moeder er wel eens een uurtje uit, naar een overbuurvrouw. Of boodschappen doen bij Van Amerongen op de nu na jaren zo verzakte galerij aan de Amsterdamscheweg.
Nee, m’n moeder had het overdag niet bepaald alleen. Maar ze was natuurlijk wel eenzaam. Ze kon met al die leveranciers geen echt gesprek gaan voeren.
En daarom kwamen er uiteindelijk kippen: in een kippenren onder het raam van de keuken. Die zorgden voor conversatie. En ze waren blij als m’n moeder hen voerde. En m’n moeder ook. Er was leven aan huis. kakelend, graanpikkend en eileggend leven.
Ja, die eieren. Er waren soorten. Bruine en witte, en als je erbij was, kwam zo’n ei nog met een zachte schaal uit de kip en werd praktisch meteen hard. En dan had je de mislukkingen: de windeieren. En de vierde soort: het kalkei. Stukje namaak: bedoeld om de kippen te herinneren aan hun plicht (of te inspireren tot) eieren te leggen.
Je zag kippen ’s morgens bedremmeld wakker worden met een blik van: nee hoor, vandaag niet, eilieve. Maar dan zag zo’n nadommeldame ineens een kalkei en meteen was ze klaarwakker: kom op, Kaatje, eieren leggen!
En dan waren er,  toen ik iets voorbij kleuter was, de paaseieren. M’n moeder kookte die hard, van tevoren. En ze kocht wat tubes verf en gaf die aan de kippen. Die schilderden de eieren prachtig, en dan verstopten ze die in de tuin. Ik herinner me nog: een kip op de kop, een ooievaar komt met een kippenei in een luierdoek aanvliegen, en een Mondriaan. Op eerste paasmorgen gingen we dan naar de kerk, waar een ouwerwetse dominee op de kansel ranselde over satan, slang en hel. Daarna mocht ik thuis eierenzoeken. Wat een paasfeest!
Later, na de oorlog, moest ik wel eens naar een kippenfarm, wat kippen voor m’n moeder vangen. Er stonden daar loodsen vol, kip aan kip alsof Nederland wereldkampioen voetbal was geworden. Het individu was ganselijk opgeheven. Ik strekte dan voorzichtig m’n benen tussen de kippen, zocht er eentje uit en greep. Ik tastte met opzet altijd mis, want de kip vloog dan op, een beperkte derde dimensie in, en ik kon haar dan onder de uitgespreide vleugels grijpen.
De gepakte dieren kakelden hun angst en vermoed lijden uit, maar ze waren uitverkoren: ze konden in de kippenren van m’n moeder een luilekker scharrelleven krijgen. Leveranciers van eieren, en meer individu (‘mevrouw Kaatje’) dan al die leveranciers die klopten met de klopper op de voordeur. We hadden ’s een keer zelfs een kakelende filosofin. Die kon uren naar een gelegd ei staren en dan zei ze: tok, en wisten we weer veel meer over het leven.

Karel N.L. Grazell

Amsterdams stadsdichter uit Zuid

http://nl.wikipedia.org/wiki/Karel_N.L._Grazell http://grazell.web-log.nl/

sharebookmarx Karel N.L. Grazell   Amstelveenscheweg 797

Posted by Redactie at 16 June 2010

Category: Poëzie, gedicht

Tags: , , ,

aan zomaar een mens

(’Kijk maar naar jezelf
als een oudere god’ – h.d.)

Ik geef je een huis aan de oever
van de tijd. Met geluk in de ramen,
rust in de meubels en langs de wanden
een zacht en tevreden zoemen.
De deuren open op welkom,
of statig dicht op je donkere ogen en
je veilig. Engelen zijn je bedienden:
ze dragen pruiken van zilver, dragen
gedichten van Deak en Verdaasdonk
op hun fluisterlippen, en de wijsheid
van gebak en sorbets  op beukenhouten
schalen. De tuin, met rozen waarop
gouden bijen als druppels van
dauw, beweegt in het voorjaar
zo eenvoudig in de kinderhanden
van een lentebriesje. De zomer tilt
een rijpe bloei als van brokaat
over de rozen die fluweelrood naar
je kijken. De herfst verguldt bladeren en
je dromen. De winter sneeuwt
verzoening en tintellicht over
de paden en perken. En ik sta
als een klein beeld bij de fontein:
godje uit een stenen tijdperk.
Ik glimlach om je verlangens,
glimlach in m’n marmer om je
wonder van bestaan en je stillende
slaap. Wie heeft je gekozen tot
dit vlindertrillende laagje leven?
Vraag het maar niet, woon als
gewoon in je kamers, leef in je tuin:
de rivier stroomt langs, er is
precies genoeg tijd voor wie je bent.
Lijden rijdt in een Porsche, aldus hoor je,
ver op de provincieweg voorbij.
Noem het huis van je leven
maar Ik. Dus Jij.

.

Karel N.L. Grazell
Amsterdams stadsdichter uit Zuid
voor h.d.
~
sharebookmarx Karel N.L. Grazell   aan zomaar een mens

Posted by Redactie at 4 June 2010

Category: Proza

Tags: , , , ,

~

In mijn jonge volwasjaren waren het barre woontijden. De jaren vijftig boden me een hele tijd alleen maar kamertjes die uitermate klein waren. De schrijver Max de Jong klaagde dat zijn kamer (in de Vrijheidslaan? zie z’n legendarische ‘Heet van de naald’) gemeubileerd was met de levensopvatting van z’n hospita. Mijn kamertjes hadden daar geen ruimte voor: gewoon een bed, een stoel (daar konden m’n boeken en m’n kleren op), soms een wasbak. maar nooit een asbak, nooit ook een kachel, klaar. En 5 gulden in de week. Schoonmaken? Vergeet het maar. Lakens verversen? Vergeet het maar.

Ik had geen racefiets naast m’n bed kunnen zetten. Er was teveel krap: de ruimte, m’n inkomen, De tweede helft van de jaren vijftig ging het beter. De schrijfmarkt bood me leukere inkomsten, en op een gegeven moment ging ik zelfs gemeubileerd wonen aan een gracht. Maar… pas op m’n 32e kreeg ik m’n eerste woonvergunning (moest ik trouwens van de betrokken ambtenaren formeel voor in ondertrouw).

Sinds die tijd ging het goed met m’n wonen en m’n inkomsten. Maar lange tijd dacht ik toch niet aan een racefiets naast m’n bed.

Ik woonde in maisonettes, in een doorzonwoning met verzopen tuin, in de helft van twee onder één kap, op flats en andersoortige etages: m’n gezin en ik hèbben wat verhuisd vanwege m’n werk.

Ik had natuurlijk een fiets, maar een alledaagse. Het enige dat ik in de sfeer van een racefiets bezat, waren twee boekjes. En wat voor boekjes. Eerst van de onvolprezen naoorlogse schrijver J.J. Klant over de renners – een schitterende werkje. En later de renner van Tim Krabbé: hoe spannend!

Maar tenslotte was het zover. Er stond een heuse goudgelakte Motobécane naast m’n bed eh ons bed in een Roerstraatse slaapkamer.. ’s Nachts als ik wakker werd, deed ik wat licht aan en keel naar die fiets. Prachtig. Prachtig! ’n Kunstwerk. Zeker drie, vier keer in de week droeg ik hem de trappen af van m’n Rivierenbuurtse woning. Want het was niet zomaar een kunstwerk. Je kon er op rijden ook. En dat deed ik dan: naar Marken, op de dijk vechten tegen de IJsselmeerse wind.  Of ‘even’ rond de Westeinder. Of ik reed ermee naar kantoor (door het Vondelpark was wel wat gevaarlijk met al die honden en mensen) en zette ‘m tegen m’n witte bureau.

Op m’n Motobécane rijden was fijn. Maar ik merkte ‘m vaak niet: het was mediteren. In een eigenlijk heel natuurlijke houding in de beugel hangen en vooral naar de weg kijken: steentjes, scherfjes vermijden. Mediteren. In de slaapkamer zag ik ‘m pas echt.

In de stad rijden had één probleem. De dérailleur. Dan moest ik ineens stoppen bij een kruispunt van verkeerslichten (dat heel misschien nog wel ooit door m’n vader was ‘ontworpen’). En dan stond je daar: je ketting op een totaal verkeerd tandwiel. En je kon niet dérailleren naar een ander. Als je dan wegreed, deed je dat veel te groot. En niet teveel stoempen, want dan had je kans dat je ketting brak.

Op een zondagmorgen reed ik in het stille Zuid: iedereen was naar de kerk of deed onder de uitslaaplakens alsof. En toen er een verkeerslicht tartend op rood sprong, reed ik door. Meteen hoorde ik een motor naast me. Politie. De man riep me: u riidt door rood, meneer. Ik keek ‘m even aan, zei toen: tsja. Z’n ogen verbijsterden even, toen lachten ze wat. Hij haalde z’n schouder op, zei luid: tsja, en gaf z’n motor de sporen tot ver voorbij de maximumsnelheid.

In die jaren kwam een neef me onverwacht opzoeken in m’n Roerstraatse woning. Ik had ‘m jaren niet gezien.

Ik vroeg: wat doe je daar in het zuiden?

Ik zorg voor de fietspaden, ik ontwerp ze.

En hoe maak je ze dan?

Nou, met mooie siertegels en zo, als het budget het toestaat.

Heb je wel eens op een racefiets gezeten, vroeg ik.

Nee, nooit.

Doe dat eens, op die siertegels. En dan hard rijden. En na afloop aan je nieren vragen hoe ze het vonden? Als ze tenminste niet uit je lijf zijn gerammeld.

Ik dacht vandaag aan dit alles, toen ik door de groene bladertunnel  van die prachtige Van Nijenrodeweg naar m’n cardioloog fietste met m’n 82 jaar op het zadel. Een lange baan van tegels. Met ribbeltjes hier, soms een losse tegel daar, een opstekende rand of een losse tegel die een gat verborg. Niet zoveel, maar toch. Gelukkig reed ik op een gewone fiets en wist ook die nare onregelmatigheden te vermijden. Op een racefiets zouden zulke gaten je een dure velg kosten.

O nee, ik reed dus niet op een racefiets. Daar voel ik me te oud voor. En wat m’n slaapkamer als mogelijke expositieruimte betreft: sinds ik langgeleden gescheiden ben, woon ik weer klein.

Karel N.L. Grazell

Amsterdamse stadsdichter uit Zuid

sharebookmarx Karel N.L. Grazell   stem uit het stadsdeel   Racefiets. Kunstwerk. Meditatie.